BWBR0003709
Geldig vanaf 1985-01-01
Artikel 29
Wet op de stads- en dorpsvernieuwing
1. Burgemeester en wethouders kunnen besluiten in een gebied, waarvoor een leefmilieuverordening geldt tijdelijk, in het besluit nader omschreven voorzieningen te treffen met het oog op de verbetering van de woon- en werkomstandigheden in of het uiterlijk aanzien van dat gebied.
2. De voorzieningen bedoeld in het eerste lid, worden alleen getroffen op grond, welke onmiddellijk vóórdien reeds gedurende enige tijd niet of niet noemenswaard voor een bepaald doeleinde in gebruik was. Werken en werkzaamheden ten behoeve van deze voorzieningen worden niet uitgevoerd alvorens over de inhoud en vormgeving daarvan met de direct betrokkenen in het gebied overleg is gepleegd.
3. Rechthebbenden ten aanzien van gronden alwaar voorzieningen als bedoeld worden getroffen, moeten, voorzover ter zake met de gemeente geen overeenstemming is bereikt, de uitvoering alsmede het in stand blijven daarvan gedogen. Indien zij dientengevolge schade lijden wordt deze desverzocht door de kantonrechter - met inachtneming van het bedrag, dat in geval van huur en verhuur redelijkerwijs als huurprijs zou zijn verschuldigd - vastgesteld en vervolgens door de gemeente vergoed.
4. Indien de rechthebbende ten aanzien van grond, waarop voorzieningen zijn getroffen daarop een bouwwerk wil oprichten, dat niet in strijd is met de ter plaatse geldende bouwvoorschriften, of die grond in gebruik wil nemen voor enig doeleinde, waartegen de leefmilieuverordening noch een ander wettelijk voorschrift zich verzet, worden de voorzieningen van gemeentewege ongedaan gemaakt.
5. De voorzieningen worden eveneens onverwijld van gemeentewege ongedaan gemaakt, indien de rechthebbende ten aanzien van de grond zulks, nadat de leefmilieuverordening heeft opgehouden te gelden, aan burgemeester en wethouders verzoekt.
2. De voorzieningen bedoeld in het eerste lid, worden alleen getroffen op grond, welke onmiddellijk vóórdien reeds gedurende enige tijd niet of niet noemenswaard voor een bepaald doeleinde in gebruik was. Werken en werkzaamheden ten behoeve van deze voorzieningen worden niet uitgevoerd alvorens over de inhoud en vormgeving daarvan met de direct betrokkenen in het gebied overleg is gepleegd.
3. Rechthebbenden ten aanzien van gronden alwaar voorzieningen als bedoeld worden getroffen, moeten, voorzover ter zake met de gemeente geen overeenstemming is bereikt, de uitvoering alsmede het in stand blijven daarvan gedogen. Indien zij dientengevolge schade lijden wordt deze desverzocht door de kantonrechter - met inachtneming van het bedrag, dat in geval van huur en verhuur redelijkerwijs als huurprijs zou zijn verschuldigd - vastgesteld en vervolgens door de gemeente vergoed.
4. Indien de rechthebbende ten aanzien van grond, waarop voorzieningen zijn getroffen daarop een bouwwerk wil oprichten, dat niet in strijd is met de ter plaatse geldende bouwvoorschriften, of die grond in gebruik wil nemen voor enig doeleinde, waartegen de leefmilieuverordening noch een ander wettelijk voorschrift zich verzet, worden de voorzieningen van gemeentewege ongedaan gemaakt.
5. De voorzieningen worden eveneens onverwijld van gemeentewege ongedaan gemaakt, indien de rechthebbende ten aanzien van de grond zulks, nadat de leefmilieuverordening heeft opgehouden te gelden, aan burgemeester en wethouders verzoekt.