BWBR0003684
Geldig vanaf 1984-07-01
Artikel 3
Wet houdende vaststelling van minimumeisen voor het houden van legkippen
1. Tenzij het bepaalde in de laatste volzin van het vierde lid toepassing vindt, is het vanaf 1 juli 1994 verboden om één of meer legkippen te houden in strijd met de bij algemene maatregel van bestuur vóór 1 januari 1990 te geven voorschriften omtrent het houden van legkippen.
2. De krachtens het eerste lid gegeven voorschriften kunnen onder meer betrekking hebben op:
- kooi-afmetingen en -uitvoeringen;
- de vormgeving van kooien;
- de aard van de wanden en van het vloer- of grondoppervlak van kooien;
- de lichtdoorlatende oppervlakte van kooien en stallen waarin kooien staan opgesteld;
- de temperatuur en de ventilatie in kooien;
- de bezettingsdichtheid in kooien;
- de aanwezigheid van zitstokken en legnesten;
- de voeder- en drinkbaklengte.
3. Een krachtens het eerste lid vastgestelde maatregel wordt aan de beide Kamers der Staten-Generaal overgelegd. De maatregel treedt in werking met ingang van een door Ons, met inachtneming van het eerste lid, te bepalen tijdstip, dat niet eerder gelegen zal zijn dan nadat dertig dagen na de overlegging zijn verstreken, indien gedurende die termijn niet door of namens één der Kamers of door tenminste één vijfde van het grondwettelijk aantal leden van één der Kamers de wens wordt te kennen gegeven, dat de inwerkingtreding van de maatregel bij de wet zal worden geregeld. Indien zodanige wens te kennen is gegeven, dienen Wij zo spoedig mogelijk een desbetreffend wetsontwerp in.
2. De krachtens het eerste lid gegeven voorschriften kunnen onder meer betrekking hebben op:
- kooi-afmetingen en -uitvoeringen;
- de vormgeving van kooien;
- de aard van de wanden en van het vloer- of grondoppervlak van kooien;
- de lichtdoorlatende oppervlakte van kooien en stallen waarin kooien staan opgesteld;
- de temperatuur en de ventilatie in kooien;
- de bezettingsdichtheid in kooien;
- de aanwezigheid van zitstokken en legnesten;
- de voeder- en drinkbaklengte.
3. Een krachtens het eerste lid vastgestelde maatregel wordt aan de beide Kamers der Staten-Generaal overgelegd. De maatregel treedt in werking met ingang van een door Ons, met inachtneming van het eerste lid, te bepalen tijdstip, dat niet eerder gelegen zal zijn dan nadat dertig dagen na de overlegging zijn verstreken, indien gedurende die termijn niet door of namens één der Kamers of door tenminste één vijfde van het grondwettelijk aantal leden van één der Kamers de wens wordt te kennen gegeven, dat de inwerkingtreding van de maatregel bij de wet zal worden geregeld. Indien zodanige wens te kennen is gegeven, dienen Wij zo spoedig mogelijk een desbetreffend wetsontwerp in.