BWBR0003664
Geldig vanaf 1981-07-01
Artikel 38
Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940-1945
1. Bij de bekendmaking van de beschikking wordt voorlichting gegeven over de procedure en de voor het bezwaarschrift geldende termijn van behandeling.
2. De beschikking op een aanvraag krachtens artikel 7, onder a, b of c, artikel 8of artikel 19, voorzover de aanvrager niet reeds op grond van artikel 34is erkend, artikel 7, onder d, e of f, voor zover de overledene geen aanspraken op deze wet heeft doen gelden, de artikelen 32en 33, voorzover de aanvrager niet reeds eerder aanspraken op deze wet heeft doen gelden, wordt gegeven binnen zeven maanden na de datum waarop de aanvraag bij de Raad is ingekomen. Indien de Raad ten gevolge van bijzondere omstandigheden niet binnen deze termijn kan beslissen, kan hij eenmaal met ten hoogste acht weken worden verlengd. Van de verlenging doet de Raad schriftelijk mededeling aan de belanghebbende.
3. De beschikking op een aanvraag krachtens artikel 34wordt gegeven binnen vier maanden na de datum waarop de aanvraag bij de Raad is ingekomen. Indien de Raad ten gevolge van bijzondere omstandigheden niet binnen deze termijn kan beslissen, kan hij eenmaal met ten hoogste vier weken worden verlengd. Van de verlenging doet de Raad schriftelijk mededeling aan de belanghebbende.
4. De beschikking op een aanvraag krachtens artikel 7, onder a, b of c, artikel 8of artikel 19, voorzover de aanvrager reeds op grond van artikel 34is erkend, artikel 7, onder d, e of f, voor zover de overledene aanspraken op deze wet heeft doen gelden, of de artikelen 32of 33, voorzover de aanvrager reeds eerder aanspraken op deze wet heeft doen gelden, wordt gegeven binnen dertien weken na de datum waarop de aanvraag bij de Raad of de Sociale verzekeringsbank is ingekomen. Indien de Raad of de Sociale verzekeringsbank ten gevolge van bijzondere omstandigheden niet binnen deze termijn kan beslissen, kan hij eenmaal met ten hoogste vier weken worden verlengd. Van de verlenging doet de Raad schriftelijk mededeling aan de belanghebbende.
5. Met betrekking tot een aanvraag, bedoeld in het vierde lid, die wordt ingediend terwijl een aanvraag, bedoeld in het tweede lid, nog in behandeling is geldt, in afwijking van het vierde lid, de termijn die resteert voor de beschikking op de aanvraag, bedoeld in het tweede lid, tenzij de resterende termijn korter is dan de termijn, bedoeld in het het vierde lid.
2. De beschikking op een aanvraag krachtens artikel 7, onder a, b of c, artikel 8of artikel 19, voorzover de aanvrager niet reeds op grond van artikel 34is erkend, artikel 7, onder d, e of f, voor zover de overledene geen aanspraken op deze wet heeft doen gelden, de artikelen 32en 33, voorzover de aanvrager niet reeds eerder aanspraken op deze wet heeft doen gelden, wordt gegeven binnen zeven maanden na de datum waarop de aanvraag bij de Raad is ingekomen. Indien de Raad ten gevolge van bijzondere omstandigheden niet binnen deze termijn kan beslissen, kan hij eenmaal met ten hoogste acht weken worden verlengd. Van de verlenging doet de Raad schriftelijk mededeling aan de belanghebbende.
3. De beschikking op een aanvraag krachtens artikel 34wordt gegeven binnen vier maanden na de datum waarop de aanvraag bij de Raad is ingekomen. Indien de Raad ten gevolge van bijzondere omstandigheden niet binnen deze termijn kan beslissen, kan hij eenmaal met ten hoogste vier weken worden verlengd. Van de verlenging doet de Raad schriftelijk mededeling aan de belanghebbende.
4. De beschikking op een aanvraag krachtens artikel 7, onder a, b of c, artikel 8of artikel 19, voorzover de aanvrager reeds op grond van artikel 34is erkend, artikel 7, onder d, e of f, voor zover de overledene aanspraken op deze wet heeft doen gelden, of de artikelen 32of 33, voorzover de aanvrager reeds eerder aanspraken op deze wet heeft doen gelden, wordt gegeven binnen dertien weken na de datum waarop de aanvraag bij de Raad of de Sociale verzekeringsbank is ingekomen. Indien de Raad of de Sociale verzekeringsbank ten gevolge van bijzondere omstandigheden niet binnen deze termijn kan beslissen, kan hij eenmaal met ten hoogste vier weken worden verlengd. Van de verlenging doet de Raad schriftelijk mededeling aan de belanghebbende.
5. Met betrekking tot een aanvraag, bedoeld in het vierde lid, die wordt ingediend terwijl een aanvraag, bedoeld in het tweede lid, nog in behandeling is geldt, in afwijking van het vierde lid, de termijn die resteert voor de beschikking op de aanvraag, bedoeld in het tweede lid, tenzij de resterende termijn korter is dan de termijn, bedoeld in het het vierde lid.