Artikel 19
Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940-1945
2. De hoogte van de toeslag, bedoeld in het eerste lid, bedraagt 10% van het bedrag bedoeld in artikel 10, achtste lid, onder a, tenzij het bepaalde in het derde lid van toepassing is.
3. Indien aan het burger-oorlogsslachtoffer een periodieke uitkering is toegekend, wordt op de in het tweede lid bedoelde toeslag een bedrag in mindering gebracht, berekend volgens de formule:
in welke formule
A voorstelt: het bedrag bedoeld in artikel 10, achtste lid, onder a;
B voorstelt: het bedrag bedoeld in artikel 10, achtste lid, onder b;
C voorstelt: het bedrag bedoeld in artikel 10, achtste lid, onder a;
G voorstelt: de grondslag, waarnaar de uitkering wordt berekend.
4. De toeslag, bedoeld in het eerste lid, wordt niet toegekend, indien toepassing is gegeven aan het bepaalde in de artikelen 18, eerste lid, 32, vierde lid, of 42.