BWBR0003463
Geldig vanaf 1981-12-01
Artikel 3.5
EEG-IJkregeling warmwatermeters
Het telwerk moet een betrouwbare, gemakkelijke en ondubbelzinnige aflezing van het gemeten watervolume uitgedrukt in kubieke meter, mogelijk maken. De aanwijzing moet voldoen aan het beginsel van eenvoudige nevenschikking. Het volume moet kunnen worden vastgesteld:
— hetzij door het opnemen van de stand van één of meer wijzers op ronde wijzerplaten (type a);
— hetzij door aflezing van opeenvolgende op één lijn geplaatste cijfers die in één of meer openingen verschijnen (type b);
— hetzij door een combinatie van beide bovenvermelde systemen (type c).
De kubieke meter en veelvouden daarvan dienen in zwart te zijn aangegeven, onderverdelingen daarvan in rood.
De werkelijke of schijnbare hoogte van de op één lijn geplaatste cijfers (typen b en c) moet ten minste 4 mm bedragen.
Bij telwerken met op één lijn geplaatste cijfers (typen b en c) moet de beweging van de zichtbare cijfers van onder naar boven geschieden.
Het verspringen van een cijferrol met één eenheid moet zich geheel voltrekken gedurende de tijd waarin de cijferrol, behorende tot de naast lagere decade, het laatste tiende gedeelte van zijn omwenteling maakt; de rol met de cijfers van de laagste decade mag bij type c een continue beweging hebben. Het aantal der gehele kubieke meters moet duidelijk worden aangewezen.
Op telwerken met wijzers (typen a en c) moet de draairichting van de wijzers overeenstemmen met die van de wijzers van de klok. De in kubieke meter uitgedrukte waarden van het schaaldeel van elke wijzerplaat moeten van de vorm 10n zijn, waarbij n een geheel positief of negatief getal of nul is, zodat opeenvolgende reeksen decaden worden gevormd. Bij de wijzerplaten moeten aanduidingen zoals x 1000, x 100, x 10, x 0,1, x 0,01, x 0,001 enz. zijn vermeld.
In beide gevallen (wijzers en op één lijn geplaatste cijfers):
— dient het symbool van de eenheid m³ op de wijzerplaat of in de onmiddellijke nabijheid van de cijferaanwijzing te zijn aangebracht;
— dient het snelst draaiende visueel waarneembare element dat het controle-element vormt en waarvan het schaaldeel "ijkschaaldeel" wordt genoemd, een continue beweging te hebben. Dit controle-element kan permanent zijn of tijdelijk zijn uitgevoerd door toevoeging van afneembare onderdelen. Deze mogen geen waarneembare invloed hebben op de metrologische eigenschappen van de meter.
De lengte van het ijkschaaldeel mag niet kleiner dan 1 mm of groter dan 5 mm zijn. De schaalverdeling van het controle-element moet zijn uitgevoerd:
— hetzij door middel van strepen van gelijke dikte die niet dikker zijn dan een vierde deel van de afstand tussen de aslijn van twee opeenvolgende strepen; de strepen mogen zich slechts door hun lengte van elkaar onderscheiden;
— hetzij door contrasterende stroken waarvan de breedte constant is en gelijk aan de lengte van het ijkschaaldeel.
— hetzij door het opnemen van de stand van één of meer wijzers op ronde wijzerplaten (type a);
— hetzij door aflezing van opeenvolgende op één lijn geplaatste cijfers die in één of meer openingen verschijnen (type b);
— hetzij door een combinatie van beide bovenvermelde systemen (type c).
De kubieke meter en veelvouden daarvan dienen in zwart te zijn aangegeven, onderverdelingen daarvan in rood.
De werkelijke of schijnbare hoogte van de op één lijn geplaatste cijfers (typen b en c) moet ten minste 4 mm bedragen.
Bij telwerken met op één lijn geplaatste cijfers (typen b en c) moet de beweging van de zichtbare cijfers van onder naar boven geschieden.
Het verspringen van een cijferrol met één eenheid moet zich geheel voltrekken gedurende de tijd waarin de cijferrol, behorende tot de naast lagere decade, het laatste tiende gedeelte van zijn omwenteling maakt; de rol met de cijfers van de laagste decade mag bij type c een continue beweging hebben. Het aantal der gehele kubieke meters moet duidelijk worden aangewezen.
Op telwerken met wijzers (typen a en c) moet de draairichting van de wijzers overeenstemmen met die van de wijzers van de klok. De in kubieke meter uitgedrukte waarden van het schaaldeel van elke wijzerplaat moeten van de vorm 10n zijn, waarbij n een geheel positief of negatief getal of nul is, zodat opeenvolgende reeksen decaden worden gevormd. Bij de wijzerplaten moeten aanduidingen zoals x 1000, x 100, x 10, x 0,1, x 0,01, x 0,001 enz. zijn vermeld.
In beide gevallen (wijzers en op één lijn geplaatste cijfers):
— dient het symbool van de eenheid m³ op de wijzerplaat of in de onmiddellijke nabijheid van de cijferaanwijzing te zijn aangebracht;
— dient het snelst draaiende visueel waarneembare element dat het controle-element vormt en waarvan het schaaldeel "ijkschaaldeel" wordt genoemd, een continue beweging te hebben. Dit controle-element kan permanent zijn of tijdelijk zijn uitgevoerd door toevoeging van afneembare onderdelen. Deze mogen geen waarneembare invloed hebben op de metrologische eigenschappen van de meter.
De lengte van het ijkschaaldeel mag niet kleiner dan 1 mm of groter dan 5 mm zijn. De schaalverdeling van het controle-element moet zijn uitgevoerd:
— hetzij door middel van strepen van gelijke dikte die niet dikker zijn dan een vierde deel van de afstand tussen de aslijn van twee opeenvolgende strepen; de strepen mogen zich slechts door hun lengte van elkaar onderscheiden;
— hetzij door contrasterende stroken waarvan de breedte constant is en gelijk aan de lengte van het ijkschaaldeel.