5.2.1. Het aantal door de aanvrager aan de ijkinstelling ter beschikking te stellen meters, het model daarbij inbegrepen, bedraagt:
[tabel]
Naar gelang van het verloop van de proeven kan de ijkinstelling:
— besluiten dat niet alle aangeboden meters worden beproefd of,
— de aanvrager extra exemplaren vragen om verdere proeven te verrichten.
5.2.2. Bij proeven bedoeld in punt 5.2.4, moet de druk bij de uitlaat van de meter voldoende zijn om cavitatie te voorkomen.
5.2.3. Over het algemeen worden de meters afzonderlijk beproefd, en in elk geval zo dat de afzonderlijke eigenschappen van elke meter met zekerheid kunnen worden vastgesteld.
De ijkinstelling neemt de nodige maatregelen opdat de relatieve onnauwkeurigheid bij de meting van het afgeleverde volume, ondermeer voortvloeiend uit de mogelijke fouten van de onderzoekinstallatie maximaal 0,3% bedraagt.
De maximale relatieve onnauwkeurigheid van die installatie bedraagt 5% voor de drukmeting en 2,5% voor de meting van het drukverlies.
De relatieve variatie van de waarde van de debieten gedurende elke proef mag niet groter zijn dan 2,5% van Q mintot Q t(Q tniet inbegrepen) en 5% van Q ttot en met Q max.
De onnauwkeurigheid bij de meting van de temperatuur mag ten hoogste 1 °C bedragen.
5.2.4. Deze proeven, die dienen te worden uitgevoerd in de aangegeven volgorde, omvatten:
1. onderzoek naar de lekdichtheid;
2. bepaling van de foutenkrommen als functie van het debiet, waarbij de eventuele invloed van druk en temperatuur wordt nagegaan en rekening wordt gehouden met de installatievoorwaarden die voor de betrokken meter gebruikelijk zijn en door de fabrikant zijn voorzien (lengte van de rechte stukken vóór en achter de meter, vernauwingen, obstakels, enz.);
3. bepaling van drukverliezen;
4. versnelde slijtageproef;
5. beproeving van de bestandheid tegen temperatuurschokken bij meters waarvan het nominale meetvermogen Qn lager dan of gelijk aan 10 m³/h is.
De proeven worden als volgt uitgevoerd:
Het onderzoek naar de lekdichtheid omvat de volgende twee proeven die bij (85 ± 5) °C worden uitgevoerd, waarbij wordt nagegaan of:
a. elke meter gedurende 15 minuten bestand is tegen een druk die gelijk is aan 1,6 maal de maximale bedrijfsdruk, zonder dat uit- of inwendig lek optreedt;
b. elke meter gedurende één minuut bestand is tegen een druk, die gelijk is aan twee maal de maximale bedrijfsdruk, zonder ernstig te worden beschadigd of geblokkeerd te raken.
De in punt 5.2.4.1. onder 2 en 3 bedoelde proeven moeten bij een voldoende aantal debieten worden uitgevoerd om betrouwbare krommen te kunnen opstellen over het gehele belastingsgebied.
De versnelde slijtageproef dient overeenkomstig het in onderstaande tabel bepaalde te geschieden:
[tabel]
Vóór de eerste versnelde slijtageproef en na elke reeks van die proeven worden, onder gelijke omstandigheden, de meetfouten bij ten minste de hieronder vermelde debieten vastgesteld:
Q min- Q t- 0,5 Q n- Q max
Bij elke proef moet een zodanig volume worden gemeten dat de wijzer of de rol van het controle-element één of meer volledige omwentelingen maakt en dat de effecten van de cyclische onregelmatigheid worden geëlimineerd.
De beproeving van de bestandheid tegen temperatuurschokken omvat 25 cycli die op de volgende wijze moeten worden samengesteld:
[tabel]
5.2.5. Na elke versnelde slijtageproef en na de beproeving van de bestandheid tegen temperatuurschokken dient ten aanzien van elke daarbij betrokken meter geen verandering van de meetfouten op te treden die ten opzichte van de oorspronkelijke foutenkromme groter is dan:
3% van Qmin tot Qt (Qt niet inbegrepen) 1,5% van Qt tot en met Qmax.