BWBR0003386
Geldig vanaf 1981-06-15
Artikel 14
Wet agrarisch grondverkeer
1. Toestemming, als bedoeld in artikel 12, onder a, kan worden geweigerd:
a. indien redelijkerwijs moet worden aangenomen, dat de feitelijke toestand niet met het in het verzoek vermelde in overeenstemming zal zijn;
b. indien bij het verzoek een arbeidsovereenkomst met de bedrijfsleider, die op het bedrijf werkzaam zal zijn, is overgelegd: 1°. indien niet wordt aangetoond, dat de bedrijfsleider voldoet aan bij algemene maatregel van bestuur te stellen vereisten met betrekking tot opleiding, ervaring of hoofdberoep.
2°. indien redelijkerwijs moet worden aangenomen, dat de bedrijfsleider niet duurzaam met de leiding van het bedrijf belast zal zijn;
3°. indien redelijkerwijs moet worden aangenomen, dat de bedrijfsleider tevens bedrijfsleider buiten het betrokken bedrijf zal zijn;
1°. indien niet wordt aangetoond, dat de bedrijfsleider voldoet aan bij algemene maatregel van bestuur te stellen vereisten met betrekking tot opleiding, ervaring of hoofdberoep.
2°. indien redelijkerwijs moet worden aangenomen, dat de bedrijfsleider niet duurzaam met de leiding van het bedrijf belast zal zijn;
3°. indien redelijkerwijs moet worden aangenomen, dat de bedrijfsleider tevens bedrijfsleider buiten het betrokken bedrijf zal zijn;
c. indien bij het verzoek een pachtovereenkomst of een ontwerp-pachtovereenkomst met betrekking tot de te vervreemden landbouwgrond is overgelegd: 1°. indien redelijkerwijs moet worden aangenomen, dat partijen niet werkelijk bedoelen de pachtovereenkomst tot stand te brengen, dan wel de pachtovereenkomst duurzaam in stand te houden;
2°. indien redelijkerwijs moet worden aangenomen, dat de pachtovereenkomst binnen afzienbare tijd zal eindigen en niet aanstonds door een ander zal worden vervangen.
1°. indien redelijkerwijs moet worden aangenomen, dat partijen niet werkelijk bedoelen de pachtovereenkomst tot stand te brengen, dan wel de pachtovereenkomst duurzaam in stand te houden;
2°. indien redelijkerwijs moet worden aangenomen, dat de pachtovereenkomst binnen afzienbare tijd zal eindigen en niet aanstonds door een ander zal worden vervangen.
2. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regelen worden gesteld met betrekking tot de weigeringsgronden als omschreven in het vorige lid.
3. Ingeval de toestemming niet verleend wordt, staat beroep open bij de Centrale Grondkamer.
4. Ingeval de toestemming wordt verleend, worden de gegevens bedoeld in artikel 13in afwijking van <a href="/wet/BWBR0021912/artikel/6" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">artikel 6, eerste lid, van de Uitvoeringswet grondkamers</a>, onverwijld aan Onze Minister overgelegd.
a. indien redelijkerwijs moet worden aangenomen, dat de feitelijke toestand niet met het in het verzoek vermelde in overeenstemming zal zijn;
b. indien bij het verzoek een arbeidsovereenkomst met de bedrijfsleider, die op het bedrijf werkzaam zal zijn, is overgelegd: 1°. indien niet wordt aangetoond, dat de bedrijfsleider voldoet aan bij algemene maatregel van bestuur te stellen vereisten met betrekking tot opleiding, ervaring of hoofdberoep.
2°. indien redelijkerwijs moet worden aangenomen, dat de bedrijfsleider niet duurzaam met de leiding van het bedrijf belast zal zijn;
3°. indien redelijkerwijs moet worden aangenomen, dat de bedrijfsleider tevens bedrijfsleider buiten het betrokken bedrijf zal zijn;
1°. indien niet wordt aangetoond, dat de bedrijfsleider voldoet aan bij algemene maatregel van bestuur te stellen vereisten met betrekking tot opleiding, ervaring of hoofdberoep.
2°. indien redelijkerwijs moet worden aangenomen, dat de bedrijfsleider niet duurzaam met de leiding van het bedrijf belast zal zijn;
3°. indien redelijkerwijs moet worden aangenomen, dat de bedrijfsleider tevens bedrijfsleider buiten het betrokken bedrijf zal zijn;
c. indien bij het verzoek een pachtovereenkomst of een ontwerp-pachtovereenkomst met betrekking tot de te vervreemden landbouwgrond is overgelegd: 1°. indien redelijkerwijs moet worden aangenomen, dat partijen niet werkelijk bedoelen de pachtovereenkomst tot stand te brengen, dan wel de pachtovereenkomst duurzaam in stand te houden;
2°. indien redelijkerwijs moet worden aangenomen, dat de pachtovereenkomst binnen afzienbare tijd zal eindigen en niet aanstonds door een ander zal worden vervangen.
1°. indien redelijkerwijs moet worden aangenomen, dat partijen niet werkelijk bedoelen de pachtovereenkomst tot stand te brengen, dan wel de pachtovereenkomst duurzaam in stand te houden;
2°. indien redelijkerwijs moet worden aangenomen, dat de pachtovereenkomst binnen afzienbare tijd zal eindigen en niet aanstonds door een ander zal worden vervangen.
2. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regelen worden gesteld met betrekking tot de weigeringsgronden als omschreven in het vorige lid.
3. Ingeval de toestemming niet verleend wordt, staat beroep open bij de Centrale Grondkamer.
4. Ingeval de toestemming wordt verleend, worden de gegevens bedoeld in artikel 13in afwijking van <a href="/wet/BWBR0021912/artikel/6" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">artikel 6, eerste lid, van de Uitvoeringswet grondkamers</a>, onverwijld aan Onze Minister overgelegd.