BWBR0003245
Geldig vanaf 2023-10-04
Artikel 16.39t
Wet milieubeheer
1. Een vliegtuigexploitant levert met betrekking tot ieder kalenderjaar voor 1 oktober van het daarop volgende kalenderjaar ten minste een aantal broeikasgasemissierechten in, dat overeenkomt met de hoeveelheid van de emissie gedurende het eerstbedoelde kalenderjaar van in bijlage I bij de EG-richtlijn handel in broeikasgasemissierechten opgenomen luchtvaartactiviteiten waarvoor die vliegtuigexploitant verantwoordelijk is en die op of na 1 januari 2012 hebben plaatsgevonden.
2. Een scheepvaartmaatschappij levert met betrekking tot ieder kalenderjaar voor 1 oktober van het daarop volgende kalenderjaar ten minste een aantal broeikasgasemissierechten in dat overeenkomt met de hoeveelheid van de totale emissie gedurende het eerstbedoelde kalenderjaar, zoals geverifieerd overeenkomstig de Verordening monitoring, rapportage en verificatie van broeikasgasemissies door maritiem vervoer en zoals berekend volgens het door de Commissie vastgestelde model-emissieverslag.
3. Ter bepaling van de hoeveelheid van de emissie, bedoeld in het tweede lid, worden de gegevens in acht genomen, die overeenkomstig de Verordening EU-register handel in emissierechten in het EU-register voor de handel in emissierechten zijn opgenomen.
4. De in het eerste lid vermelde verplichting is vervuld voor ieder kalenderjaar in de periode tot en met 31 december 2030 met betrekking tot een vliegtuigexploitant waarvan Nederland overeenkomstig artikel 16.39a, tweede lid, onderdeel a, de administrerende lidstaat is, voor de vluchten die deze vliegtuigexploitant uitvoert tussen een luchthaven in een ultraperifeer gebied van een lidstaat als vermeld in artikel 349 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie en:
a. een luchthaven in dezelfde lidstaat;
b. een andere luchthaven in hetzelfde ultraperifeer gebied van de lidstaat; of
c. een luchthaven in een ander ultraperifeer gebied van dezelfde lidstaat.
5. De in het tweede lid vermelde verplichting is vervuld voor ieder kalenderjaar in de periode tot en met 31 december 2030 met betrekking tot een scheepvaartmaatschappij waarvan Nederland overeenkomstig artikel 16.39a, vierde lid, de administrerende lidstaat is, voor de reizen en in verband met deze reizen uitgevoerde activiteiten in een haven die deze scheepvaartmaatschappij uitvoert tussen en in een haven in een ultraperifeer gebied van een lidstaat als vermeld in artikel 349 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie en:
a. een haven in dezelfde lidstaat;
b. een andere haven in hetzelfde ultraperifeer gebied van de lidstaat; of
c. een haven in een ander ultraperifeer gebied van dezelfde lidstaat.
6. De in het tweede lid bedoelde emissierechten worden overeenkomstig het volgende schema ingeleverd:
a. 40% van de voor 2024 gerapporteerde geverifieerde emissies;
b. 70% van de voor 2025 gerapporteerde geverifieerde emissies;
c. 100% van de geverifieerde emissies die zijn gerapporteerd voor 2026 en elk daaropvolgend jaar.
7. In afwijking van het tweede en zesde lid mag een scheepvaartmaatschappij tot 31 december 2030 5% minder emissierechten inleveren dan de geverifieerde emissies voor schepen met ijsklasse 1A of 1A super of een gelijkwaardige ijsklasse, zoals vastgesteld op basis van aanbeveling 25/7 van de Commissie ter bescherming van het mariene milieu van het Oostzeegebied.
8. Een scheepvaartmaatschappij voldoet tot 31 december 2030 aan de eisen bedoeld in het tweede lid indien een uitvoeringshandeling van de Europese Commissie als bedoeld in artikel 12, derde lid quinqies, derde lid quater en derde lid ter, van de EG-richtlijn handel in broeikasgasemissierechten dat bepaalt.
9. Indien de eindverantwoordelijkheid voor de aankoop van de brandstof of de exploitatie van een schip op grond van een contractuele regeling berust bij een ander dan de emissiegerechtigde scheepvaartmaatschappij, heeft die scheepvaartmaatschappij recht op terugbetaling door die ander van de kosten die voortvloeien uit het inleveren van de in het tweede en zesde lid bedoelde emissierechten door de emissiegerechtigde scheepvaartmaatschappij.
10. Artikel 16.37, tweede lid, is van overeenkomstige toepassing.
2. Een scheepvaartmaatschappij levert met betrekking tot ieder kalenderjaar voor 1 oktober van het daarop volgende kalenderjaar ten minste een aantal broeikasgasemissierechten in dat overeenkomt met de hoeveelheid van de totale emissie gedurende het eerstbedoelde kalenderjaar, zoals geverifieerd overeenkomstig de Verordening monitoring, rapportage en verificatie van broeikasgasemissies door maritiem vervoer en zoals berekend volgens het door de Commissie vastgestelde model-emissieverslag.
3. Ter bepaling van de hoeveelheid van de emissie, bedoeld in het tweede lid, worden de gegevens in acht genomen, die overeenkomstig de Verordening EU-register handel in emissierechten in het EU-register voor de handel in emissierechten zijn opgenomen.
4. De in het eerste lid vermelde verplichting is vervuld voor ieder kalenderjaar in de periode tot en met 31 december 2030 met betrekking tot een vliegtuigexploitant waarvan Nederland overeenkomstig artikel 16.39a, tweede lid, onderdeel a, de administrerende lidstaat is, voor de vluchten die deze vliegtuigexploitant uitvoert tussen een luchthaven in een ultraperifeer gebied van een lidstaat als vermeld in artikel 349 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie en:
a. een luchthaven in dezelfde lidstaat;
b. een andere luchthaven in hetzelfde ultraperifeer gebied van de lidstaat; of
c. een luchthaven in een ander ultraperifeer gebied van dezelfde lidstaat.
5. De in het tweede lid vermelde verplichting is vervuld voor ieder kalenderjaar in de periode tot en met 31 december 2030 met betrekking tot een scheepvaartmaatschappij waarvan Nederland overeenkomstig artikel 16.39a, vierde lid, de administrerende lidstaat is, voor de reizen en in verband met deze reizen uitgevoerde activiteiten in een haven die deze scheepvaartmaatschappij uitvoert tussen en in een haven in een ultraperifeer gebied van een lidstaat als vermeld in artikel 349 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie en:
a. een haven in dezelfde lidstaat;
b. een andere haven in hetzelfde ultraperifeer gebied van de lidstaat; of
c. een haven in een ander ultraperifeer gebied van dezelfde lidstaat.
6. De in het tweede lid bedoelde emissierechten worden overeenkomstig het volgende schema ingeleverd:
a. 40% van de voor 2024 gerapporteerde geverifieerde emissies;
b. 70% van de voor 2025 gerapporteerde geverifieerde emissies;
c. 100% van de geverifieerde emissies die zijn gerapporteerd voor 2026 en elk daaropvolgend jaar.
7. In afwijking van het tweede en zesde lid mag een scheepvaartmaatschappij tot 31 december 2030 5% minder emissierechten inleveren dan de geverifieerde emissies voor schepen met ijsklasse 1A of 1A super of een gelijkwaardige ijsklasse, zoals vastgesteld op basis van aanbeveling 25/7 van de Commissie ter bescherming van het mariene milieu van het Oostzeegebied.
8. Een scheepvaartmaatschappij voldoet tot 31 december 2030 aan de eisen bedoeld in het tweede lid indien een uitvoeringshandeling van de Europese Commissie als bedoeld in artikel 12, derde lid quinqies, derde lid quater en derde lid ter, van de EG-richtlijn handel in broeikasgasemissierechten dat bepaalt.
9. Indien de eindverantwoordelijkheid voor de aankoop van de brandstof of de exploitatie van een schip op grond van een contractuele regeling berust bij een ander dan de emissiegerechtigde scheepvaartmaatschappij, heeft die scheepvaartmaatschappij recht op terugbetaling door die ander van de kosten die voortvloeien uit het inleveren van de in het tweede en zesde lid bedoelde emissierechten door de emissiegerechtigde scheepvaartmaatschappij.
10. Artikel 16.37, tweede lid, is van overeenkomstige toepassing.