BWBR0003212
Geldig vanaf 1979-01-01
Artikel 10
Beschikking bijdragen werknemers Oost-Groningen en de Gronings-Drentse Veenkoloniën
1. Indien de werknemer, die de maandelijkse uitkering ontvangt, op enig tijdstip gedurende de garantietermijn een nieuwe dienstbetrekking aangaat dan wel voor eigen rekening en risico een bedrijf of beroep gaat uitoefenen, vervalt het recht op de maandelijkse uitkering met ingang van de dag waarop de dienstbetrekking aanvangt onderscheidenlijk wordt begonnen met de uitoefening van het bedrijf of beroep.
2. In afwijking in zoverre van het bepaalde in het eerste lid herleeft, indien de dienstbetrekking, het bedrijf of beroep, bedoeld in het eerste lid, eindigt onderscheidenlijk wordt beëindigd, het recht op de maandelijkse uitkering voor het op dat tijdstip resterende gedeelte van de garantietermijn, voor zover de werknemer niet uit anderen hoofde aanspraak heeft verkregen op een loondervingsbijdrage.
2. In afwijking in zoverre van het bepaalde in het eerste lid herleeft, indien de dienstbetrekking, het bedrijf of beroep, bedoeld in het eerste lid, eindigt onderscheidenlijk wordt beëindigd, het recht op de maandelijkse uitkering voor het op dat tijdstip resterende gedeelte van de garantietermijn, voor zover de werknemer niet uit anderen hoofde aanspraak heeft verkregen op een loondervingsbijdrage.