1. Aan een werknemer bij een bedrijf, dat als rechtstreeks gevolg van de toepassing van Hoofdstuk 11 of
artikel 58 van de wetgeheel wordt beëindigd, wordt een loondervingsbijdrage toegekend indien:
a. de werknemer op de dag van de beëindiging van de arbeidsovereenkomst woonachtig is in Nederland;
b. de werknemer op de dag van de beëindiging van de arbeidsovereenkomst de leeftijd van 65 jaren nog niet heeft bereikt;
c. - hetzij de werknemer in het jaar 1978 gedurende ten minste negen maanden werknemer is geweest bij het bedrijfshoofd van het in de aanhef bedoelde bedrijf;
hetzij de werknemer gedurende de drie jaren voorafgaande aan de dag van de beëindiging van de arbeidsovereenkomst werknemer is geweest bij het bedrijfshoofd van het in de aanhef bedoelde bedrijf;
- hetzij de werknemer in het jaar 1978 gedurende ten minste negen maanden werknemer is geweest bij het bedrijfshoofd van het in de aanhef bedoelde bedrijf;
hetzij de werknemer gedurende de drie jaren voorafgaande aan de dag van de beëindiging van de arbeidsovereenkomst werknemer is geweest bij het bedrijfshoofd van het in de aanhef bedoelde bedrijf;
d. de werknemer gedurende de twee kalenderjaren voorafgaande aan het jaar van de beëindiging van de arbeidsovereenkomst ten minste 200 werkdagen dan wel 40 werkweken per kalender jaar verzekerd is geweest bij het Bedrijfspensioenfonds voor de landbouw dan wel het Bedrijfspensioenfonds voor het Bloembollenbedrijf.
2. Aan een werknemer bij een bedrijf, dat als rechtstreeks gevolg van de toepassing van
Hoofdstuk IIof
artikel 58 van de wetgedeeltelijk wordt beëindigd, wordt een loondervingsbijdrage toegekend indien:
a. de werknemer voldoet aan het bepaalde in het eerste lid, onder a–d;
b. in geval van beïndiging van de arbeidsovereenkomst door de werknemer de beëindiging rechtstreeks verband houdt met de gedeeltelijke beëindiging van het bedrijf.
3. In afwijking in zoverre van het bepaalde in het eerste en tweede lid wordt een loondervingsbijdrage eveneens toegekend aan een werknemer, die vooruitlopend op de gehele dan wel gedeeltelijke beëindiging van het in de aanhef van het eerste onderscheidenlijk tweede lid bedoelde bedrijf de arbeidsovereenkomst zelf beëindigt, met dien verstande dat:
hetzij de dag van de beëindiging van de arbeidsovereenkomst moet zijn gelegen na de dag waarop het bedrijfshoofd van het in de aanhef van het eerste onderscheidenlijk tweede lid bedoelde bedrijf ter voorkoming van onteigening met de Stichting Beheer Landbouwgronden een schriftelijke overeenkomst tot verkoop van het bedrijf heeft gesloten,
hetzij de dag van de beëindiging van de arbeidsovereenkomst moet zijn gelegen na de dag waarop het in artikel 16, eerste lid, van de wet bedoelde herinrichtingsplan overeenkomstig het bepaalde in artikel 20 van de wet is vastgesteld en uit dat herinrichtingsplan afgeleid kan worden dat ten aanzien van het in de aanhef van het eerste onderscheidenlijk tweede lid bedoelde bedrijf hoofdstuk II van de wet zal worden toegepast,
hetzij de dag van de beëindiging van de arbeidsovereenkomst moet zijn gelegen na de dag waarop het bedrijfshoofd van het in de aanhef van het eerste onderscheidenlijk tweede lid bedoelde bedrijf de in artikel 58, derde lid, van de wet bedoelde afstand heeft gedaan.
4. In afwijking in zoverre van het bepaalde in het eerste, tweede en derde lid geldt het bepaalde in het eerste lid, onder d, niet voor de werknemer die in verband met zijn leeftijd gedurende het in het eerste lid, onder d, bedoelde tijdvak niet of slechts voor een deel verzekerd is geweest.