BWBR0002761
Geldig vanaf 1971-10-01
Artikel 168
Burgerlijk Wetboek Boek 4
1. Een rechtshandeling die ondanks zijn uit de artikelen 166en 167voortvloeiende onbevoegdheid is verricht door of gericht tot de rechthebbende is niettemin geldig, indien de wederpartij het bewind kende noch behoorde te kennen. Niettemin is geen veroordeling mogelijk tot nakoming van een uit de rechtshandeling voortvloeiende verbintenis tot vervreemding of bezwaring van een onder het bewind staand goed.
2. De uit het bewind voortvloeiende ongeldigheid van beschikking door de rechthebbende over een goed als bedoeld in <a href="/wet/BWBR0005291/artikel/88" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">artikel 88 van Boek 3</a>, staat niet in de weg aan de geldigheid van een latere overdracht daarvan indien de derde verkrijger te goeder trouw is. De vorige zin is van overeenkomstige toepassing op de vestiging, overdracht en afstand van een beperkt recht op zulk een goed.
2. De uit het bewind voortvloeiende ongeldigheid van beschikking door de rechthebbende over een goed als bedoeld in <a href="/wet/BWBR0005291/artikel/88" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">artikel 88 van Boek 3</a>, staat niet in de weg aan de geldigheid van een latere overdracht daarvan indien de derde verkrijger te goeder trouw is. De vorige zin is van overeenkomstige toepassing op de vestiging, overdracht en afstand van een beperkt recht op zulk een goed.