Rechtspraak
Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius e
2020-12-15
ECLI:NL:OGHACMB:2020:300
Civiel recht
Hoger beroep
3,139 tokens
Inleiding
Burgerlijke zaken over 2020 Vonnis no.:
Registratienummers: CUR201803042 – CUR2020H00168
Uitspraak: 15 december 2020
GEMEENSCHAPPELIJK HOF VAN JUSTITIE
van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en
van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
Vonnis en beschikking in de zaak van:
[Appellant],
wonend in Curaçao,
hierna te noemen: [Appellant],
oorspronkelijk gedaagde/verweerder in conventie en eiser/verzoeker in reconventie, thans appellant,
procederende in persoon,
tegen
[Geïntimeerde] h.o.d.n. TERENONAN FIEL PIETERSZ DI GATO,
wonende in Curaçao,
hierna te noemen: [Geïntimeerde],
oorspronkelijk eiseres/verzoekster in conventie en gedaagde/verweerster in reconventie, thans geïntimeerde,
gemachtigde: R.E.F.A. Bijkerk.
1Het verloop van de procedure
1.1.
Voor hetgeen in eerste aanleg is gesteld en gevorderd en verzocht, voor de procesgang aldaar en voor de overwegingen en beslissingen van het Gerecht in eerste aanleg van Curaçao (hierna: het Gerecht), wordt verwezen naar de tussen partijen op 20 april 2020 uitgesproken uitspraak. De inhoud van die uitspraak geldt als hier ingevoegd.
1.2. [
[Appellant] is bij akte van appel op 1 juni 2020 in hoger beroep gekomen van voornoemde uitspraak. In een op 13 juli 2020 ingekomen memorie van grieven heeft hij vier grieven voorgedragen en geconcludeerd dat het Hof de bestreden uitspraak zal vernietigen en, opnieuw rechtdoende:
de rechterlijke vonnis/beschikking van 20 april 2020 te vernietigen, en opnieuw rechtdoende, dat alle verzoeken van appellant, zal worden toegewezen overeenkomstig het op 1969 uitgegeven schrijven: "HONDERD JAAR CODIFICATIE IN DE NEDERLANDSE ANTILLEN", het Legaat, de verklaring namens hoofdinspecteur der Belastingen op 20 mei 1991 no. 203, Electrificatie Gato, het verzorgen en bezorgen voor de huurders op Plantage Malpais (a) Gato, dat het een niet onbeheerde nalatenschap konform artikel 3:200a BW, maar een nalatenschap als familiegrond.
Aan de hand van het Gouvernement van Curaçao, Besluit van Donderdag den 30en Julij 1868 No. 439 en de volgens burgerlijke stand op 24 juli 1997 verwerkte en onderzochte bewijs dat familie [Naam 1] te zijn erfgenaam.
Opdragen dat [Geïntimeerde] h.o.d.n TERENONAN FIEL PIETERSZ DI GATO, Stichting Afwikkeling Nalatenschap en Stichting Belangenbehartiging Terreinen Gato de dusver door hen gevoerde administratie en door hen geïnde gelden aan Stichting Belangen Behartiging Rechtsopvolgers [Naam 2] over te dragen.
Voor recht te verklaren dat [Appellant] c.s. de wettelijke erfgenamen zijn en de vereffening van het landgoed Plantage Malpais (a) Gato, samen met de huizen te Ferdinandstraat (Kura di Kunsje) toebedeeld krijgen.
1.3. [
[Geïntimeerde] heeft in een memorie van antwoord het appel bestreden en geconcludeerd dat het Hof [Appellant] niet-ontvankelijk zal verklaren dan wel zijn beroep zal afwijzen, kosten rechtens.
1.4.
Op 13 oktober 2020, de voor schriftelijk pleidooi bepaalde dag, heeft [Geïntimeerde] pleitnotities ingediend en [Appellant] een pleidooi/akte na memorie van antwoord, met producties.
1.5.
Uitspraak is bepaald op heden.
2De ontvankelijkheid
[Appellant] is tijdig en op de juiste wijze in hoger beroep gekomen en kan daarin worden ontvangen.
3De grieven
Voor de grieven wordt verwezen naar de memorie van grieven.
Beoordeling
4.1.
Het gaat hier om de onroerende zaak plantage Gato of Malpais, groot 89,95 hectare. In het plantageregister staat de onroerende zaak ten name van de vrijgemaakte slaven – waarbij het zou gaan om twaalf of dertien personen – van [Naam 2], weduwe van dominee [Naam3]. Weduwe [Naam 2], overleden op [datum] 1811, heeft de plantage testamentair nagelaten aan deze vrijgemaakte slaven (productie 1 bij inleidend verzoekschrift).
4.2.
Ter zake van de eigendom van de plantage zijn tussen leden van de familie [Naam 1] en de familie[Naam 4], althans huurders van deze families, meerdere procedures gevoerd: in het bijzonder ter zake van afstamming van een der vrijgemaakte slaven, verkrijgende verjaring (al dan niet via bevrijdende verjaring) en de bevoegdheid verhuurovereenkomsten aan te gaan. Te noemen zijn onder meer:
Gerecht in eerste aanleg 24 oktober 1988, AR 552/87 (productie 7 bij inleidend verzoekschrift, inter alia): niet bewezen is dat de familie [Naam 4] afstamt van de vrijgemaakte slavin [Naam5];
HR 8 september 2000, ECLI:NL:HR:2000:AA7039, NJ 2000/629: geen bezit te goeder trouw;
GHvJ 3 februari 2004, TAR 2004/2, p. 120 e.v., NJ 2004/596: afgifte van verklaring van erfrecht door notaris onzorgvuldig, verschillende afstammingslijnen (thans: [Naam 6]; eerder: [Naam 5), gezag van gewijsde;
HR 21 september 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA6258, gevolgd door GHvJ 4 maart 2008, AR 1284/03-H 237/04; over de vraag wie bevoegd tot verhuur is zijn meerdere, hier niet genoemde, procedures gevoerd;
HR 16 oktober 2009, ECLI:NL:HR:2009:BJ7332 (artikel 81 RO);
GHvJ 13 september 2016, ECLI:NL:OGHACMB:2016:131: kort geding over borden geplaatst door familie [Naam 4];
GHvJ 29 november 2016, ECLI:NL:OGHACMB:2016:168: kort geding over een conflict tussen een huurder die huurt van de familie [Naam 4] en een huurder die huurt van de familie [Naam 1]; met eindvonnis op 2 mei 2017, ECLI:NL:OGHACMB:2017:162.
4.3.
Het Hof oordeelde in de genoemde uitspraken van 13 september 2016 en 29 november 2016 dat de uitkomst van deze procedures is dat niet is komen vast te staan dat de familie [Naam 1] of de familie [Naam 4] exclusief eigenaar is van de gehele plantage. In de zaak eindigend met HR 16 oktober 2009 (artikel 81 RO) heeft het Hof geoordeeld, kort gezegd, dat door bepaalde daden van de familie [Naam 1] niet gezegd kan worden dat de familie [Naam 4] bezitter van de gehele plantage was.
4.4.
Overigens heeft de Hoge Raad recentelijk in de zaak-Rancho, eveneens een Curaçaose langdurig onverdeeld gebleven gemeenschap, het oordeel van het Hof dat het gebruik – al dan niet door een deelgenoot – van grond die behoort tot een langdurig onverdeelde boedel in het algemeen naar verkeersopvattingen niet geldt als bezit, maar als houderschap voor de boedel (HR 14 februari 2020, ECLI:NL:HR:2020:257). De Hoge Raad overwoog:
5.3.1
Middel II is gericht tegen de rov. 3.39 – 3.43 van de eindbeschikking. Het klaagt onder meer dat onjuist en onvoldoende begrijpelijk gemotiveerd is het uitgangspunt van het hof dat wie welbewust (een deel van) een langdurig onverdeeld gebleven gemeenschap in gebruik neemt, in beginsel naar verkeersopvattingen geldt als houder voor de boedel. Dat geldt, aldus het middel, ook voor de overweging van het hof dat, gelet op dit uitgangspunt en het verbod van interversie van art. 3:111 BWC, het louter bouwen op Rancho en het enkel opmaken van een meetbrief geen bezitsdaad of tegenspraak van het recht van de eigenaar is, zodat men houder blijft voor de boedel.
5.3.2
Art. 3:200a lid 5 BWC bevat een van de algemene regeling voor verkrijgende verjaring van art. 3:105 BWC afwijkende regeling. Art. 3:200a lid 5 BWC bepaalt dat een bezitter die wist of behoorde te weten dat een onroerende zaak deel uitmaakt van een langdurig onverdeeld gebleven gemeenschap, die zaak niet door verjaring kan verkrijgen. Deze bepaling geldt vanaf 1 april 2007 en heeft onmiddellijke werking, maar geen terugwerkende kracht. Dit betekent dat bezit van grond op Rancho dat ten minste twintig jaar voor 1 april 2007 is aangevangen, toch op grond van de algemene regeling voor verkrijgende verjaring van art. 3:105 BWC tot verkrijging door de bezitter kan hebben geleid, ook in die gevallen waarin dit bezit niet te goeder trouw was.
5.3.3
Voor de beantwoording van de vraag of iemand een zaak in bezit heeft genomen, is bepalend of hij de feitelijke macht over die zaak is gaan uitoefenen (art. 3:113 lid 1 BWC), waarbij die machtsuitoefening zodanig moet zijn dat deze naar verkeersopvatting het bezit van de oorspronkelijke bezitter teniet doet. Het antwoord op de vraag of iemand de voor bezit vereiste feitelijke macht uitoefent wordt, evenals de vraag of hij voor zichzelf of voor een ander houdt, beoordeeld naar verkeersopvatting en overigens op grond van uiterlijke feiten (art. 3:108 BWC).2 De rol van de verkeersopvatting brengt mee dat daarbij de aard en de bestemming van het betrokken goed in aanmerking moeten worden genomen.3 Voorts geldt dat wanneer men heeft aangevangen krachtens een rechtsverhouding voor de eigenaar te houden, men daarmee onder dezelfde titel voortgaat, zolang niet blijkt dat hierin verandering is gebracht, hetzij ten gevolge van een handeling van hem voor wie men houdt, hetzij ten gevolge van een tegenspraak van diens recht (art. 3:111 BWC).
5.3.4
Het hof heeft in rov. 3.40 van de eindbeschikking geoordeeld dat wie welbewust (een deel van) een langdurig onverdeelde boedel in gebruik neemt, in beginsel naar verkeersopvattingen geldt als houder voor de boedel. Dit oordeel is in hoge mate verweven met waarderingen van feitelijke aard betreffende de verkeersopvattingen in Curaçao, en kan als zodanig in cassatie slechts beperkt worden getoetst. Het oordeel geeft, mede gelet op de algemene bekendheid in Curaçao met het verschijnsel van langdurig onverdeelde boedels en op het feit dat indien een bepaald stuk grond tot een langdurig onverdeelde boedel behoort dit in Curaçao in de regel algemeen bekend is,4 geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is niet onbegrijpelijk.
In rov. 3.42 van de eindbeschikking heeft het hof voorts geoordeeld dat het louter bouwen op Rancho en het enkel opmaken van een meetbrief geen bezitsdaad of tegenspraak van het recht van de eigenaar is. Gelet op de bijzondere kenmerken van langdurig onverdeeld gebleven gemeenschappen (zie de conclusie van de Advocaat-Generaal onder 5.43), mag niet snel worden aangenomen dat een handeling van de houder geldt als een bezitsdaad dan wel een daad van tegenspraak van het recht van de eigenaar. Het oordeel van het hof geeft dan ook geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting en behoefde geen nadere motivering. De klachten falen.
[met de volgende voetnoten:]
2
Vgl. HR 18 september 2015, ECLI:NL:HR:2015:2743, rov. 3.4.2.
3
Vgl. HR 24 februari 2017, ECLI:NL:HR:2017:309, rov. 3.3.2.
4
Parlementaire Geschiedenis van het Curaçaose Burgerlijk Wetboek, ed. Murray, 2016, p. 895.
4.5.
In de twee in rov. 4.2 laatstgenoemde kort gedingen heeft het Hof voorts overwogen dat beide partijen zich beroepen op afstamming van de vrijgemaakte slavin [Naam 6] (wat de familie [Naam 1] betreft dus niet meer van de slavin [Naam 5]). In de eerste plaats staat niet vast dat partijen alle deelgenoten van de staak-[Naam 6] vertegenwoordigen. Maar zelfs als dat zo is, zijn er nog elf of twaalf andere staken, met naar verwachting zeer veel deelgenoten uit vele generaties van de laatste 200 jaar. Het is niet zo dat het aandeel van deelgenoten die onbekend, onvindbaar of onwillig zijn, aanwast bij het aandeel van de familie [Naam 1] of de familie [Naam 4].
Dictum
Het Hof bevestigt de bestreden uitspraak en verwijst [Appellant] in de kosten van het hoger beroep aan de zijde van [Geïntimeerde] gevallen en tot op heden begroot op NAf 4.000,- aan gemachtigdensalaris en NAf 255,50 aan verschotten.
Dit vonnis is gewezen door mrs. E.M. van der Bunt, O. Nijhuis en J. de Boer, leden van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba en ter openbare terechtzitting van het Hof in Curaçao uitgesproken op 15 december 2020 in tegenwoordigheid van de griffier.