BWBR0002682
Geldig vanaf 2002-07-01
Artikel 33a
Wet verontreiniging oppervlaktewateren
1. De voordracht voor een algemene maatregel van bestuur krachtens artikel 1, tweede of derde lid, 1a, 2a, 2d, 2f, 4, 14, 15, 19, zesde, zevende of achtste lid, of 31, vierde lid, wordt Ons gedaan door Onze Ministers van Verkeer en Waterstaat en van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer.
2. Het ontwerp van een algemene maatregel van bestuur krachtens artikel 1, tweede of derde lid, 1a, 2a, 2d, 2fof 4wordt overgelegd aan de beide kamers der Staten-Generaal en in de Staatscourantbekendgemaakt. Aan een ieder wordt de gelegenheid geboden binnen een bij die bekendmaking te stellen termijn van ten minste vier weken opmerkingen over het ontwerp schriftelijk ter kennis van Onze genoemde Ministers te brengen.
3. Een algemene maatregel van bestuur als bedoeld in het tweede lid wordt, nadat hij is vastgesteld, toegezonden aan beide Kamers der Staten-Generaal. Hij treedt niet eerder in werking dan vier weken na de datum van uitgifte van het Staatsbladwaarin hij is geplaatst.
2. Het ontwerp van een algemene maatregel van bestuur krachtens artikel 1, tweede of derde lid, 1a, 2a, 2d, 2fof 4wordt overgelegd aan de beide kamers der Staten-Generaal en in de Staatscourantbekendgemaakt. Aan een ieder wordt de gelegenheid geboden binnen een bij die bekendmaking te stellen termijn van ten minste vier weken opmerkingen over het ontwerp schriftelijk ter kennis van Onze genoemde Ministers te brengen.
3. Een algemene maatregel van bestuur als bedoeld in het tweede lid wordt, nadat hij is vastgesteld, toegezonden aan beide Kamers der Staten-Generaal. Hij treedt niet eerder in werking dan vier weken na de datum van uitgifte van het Staatsbladwaarin hij is geplaatst.