BWBR0002682
Geldig vanaf 2002-07-01
Artikel 2d
Wet verontreiniging oppervlaktewateren
1. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld, inhoudende de verplichting voor het orgaan dat bevoegd is een vergunning krachtens artikel 1te verlenen, beperkingen of voorschriften, die nodig zijn ter bescherming van het oppervlaktewater tegen verontreiniging, dan wel met het oog op een doelmatige werking van de betrokken zuiveringstechnische werken, en waarvan de inhoud in die maatregel is aangegeven, aan te brengen onderscheidenlijk te verbinden aan de vergunningen voor het brengen van bij de maatregel aangewezen afvalstoffen, verontreinigende of schadelijke stoffen in het oppervlaktewater. Bij de maatregel kan worden bepaald dat de daarbij gestelde regels slechts gelden in daarbij aangegeven categorieën van gevallen. Artikel 8.40, tweede lid, van de Wet milieubeheeris van overeenkomstige toepassing. Ten aanzien van bij de regels te stellen voorschriften zijn de artikelen 8.11, derde lid, 8.12, 8.13, 8.15, 8.16en 8.22, eerste en tweede lid, van de Wet milieubeheervan overeenkomstige toepassing.
2. Bij een algemene maatregel van bestuur krachtens het eerste lid wordt bepaald in hoeverre het in het eerste lid bedoelde orgaan met betrekking tot daarbij aangegeven onderwerpen van bij de maatregel gestelde regels kan afwijken of nadere eisen kan stellen. Daarbij kan worden bepaald dat de bevoegdheid tot afwijken of tot het stellen van nadere eisen slechts geldt in bij de maatregel aangegeven categorieën van gevallen.
3. Bij de maatregel wordt voor de daarbij opgelegde verplichtingen het tijdstip aangegeven, waarop zij met betrekking tot de al verleende vergunningen moeten zijn uitgevoerd.
4. Artikel 2a, derde lid, is van overeenkomstige toepassing.
2. Bij een algemene maatregel van bestuur krachtens het eerste lid wordt bepaald in hoeverre het in het eerste lid bedoelde orgaan met betrekking tot daarbij aangegeven onderwerpen van bij de maatregel gestelde regels kan afwijken of nadere eisen kan stellen. Daarbij kan worden bepaald dat de bevoegdheid tot afwijken of tot het stellen van nadere eisen slechts geldt in bij de maatregel aangegeven categorieën van gevallen.
3. Bij de maatregel wordt voor de daarbij opgelegde verplichtingen het tijdstip aangegeven, waarop zij met betrekking tot de al verleende vergunningen moeten zijn uitgevoerd.
4. Artikel 2a, derde lid, is van overeenkomstige toepassing.