BWBR0002365
Geldig vanaf 1962-03-23
Artikel 10
Rijkssubsidieregeling voor het algemeen maatschappelijk werk
1. Een instelling komt voor subsidie in aanmerking, indien
a. de functionarissen werkzaam zijn onder verantwoordelijkheid van en volgens richtlijnen te geven door het bestuur van de instelling;
b. de functionarissen voldoen aan de eisen, gesteld in artikel 11;
c. de arbeidsvoorwaarden van de functionarissen door het bestuur van de instelling schriftelijk worden vastgelegd;
d. aan de onderscheiden facetten van het algemeen maatschappelijk werk, gelet op de omstandigheden in plaats of streek, de nodige aandacht wordt besteed, en het werk op deskundige wijze wordt verricht;
e. de werkzaamheden van een functionaris gericht zijn op een verantwoord aantal personen, dan wel van voldoende omvang zijn — een en ander ter beoordeling van de minister;
f. het streven gericht is op een verantwoorde inschakeling van vrijwilligers;
g. een zodanige samenwerking met instellingen van bijzonder en gespecialiseerd maatschappelijk werk wordt nagestreefd, dat de bemoeienis met personen of gezinnen, welke beter door deze instellingen kan worden behartigd, daaraan wordt overgedragen, en dat de bemoeienis met personen of gezinnen, welke niet of niet langer bij de instellingen van bijzonder of gespecialiseerd maatschappelijk werk behoeft te blijven, van deze wordt overgenomen;
h. zo mogelijk advies en voorlichting worden ontvangen van een orgaan van samenwerking, als bedoeld in de regeling voor de subsidiëring van organen van samenwerking voor het maatschappelijk werk op levensbeschouwelijke of algemene grondslag (U 88063);
i. te allen tijde door het bestuur aan de daartoe door of namens de minister aangewezen ambtenaren inlichtingen worden verstrekt omtrent aard en omvang van de werkzaamheden.
2. Indien een instelling niet voldoet aan het gestelde onder d of e van het eerste lid van dit artikel, kan deze toch voor subsidie in aanmerking komen, zij het tot een lager percentage dan genoemd in artikel 14.
Het maximale overheidssubsidie, bedoeld in artikel 31, wordt in dat geval naar evenredigheid verlaagd.
a. de functionarissen werkzaam zijn onder verantwoordelijkheid van en volgens richtlijnen te geven door het bestuur van de instelling;
b. de functionarissen voldoen aan de eisen, gesteld in artikel 11;
c. de arbeidsvoorwaarden van de functionarissen door het bestuur van de instelling schriftelijk worden vastgelegd;
d. aan de onderscheiden facetten van het algemeen maatschappelijk werk, gelet op de omstandigheden in plaats of streek, de nodige aandacht wordt besteed, en het werk op deskundige wijze wordt verricht;
e. de werkzaamheden van een functionaris gericht zijn op een verantwoord aantal personen, dan wel van voldoende omvang zijn — een en ander ter beoordeling van de minister;
f. het streven gericht is op een verantwoorde inschakeling van vrijwilligers;
g. een zodanige samenwerking met instellingen van bijzonder en gespecialiseerd maatschappelijk werk wordt nagestreefd, dat de bemoeienis met personen of gezinnen, welke beter door deze instellingen kan worden behartigd, daaraan wordt overgedragen, en dat de bemoeienis met personen of gezinnen, welke niet of niet langer bij de instellingen van bijzonder of gespecialiseerd maatschappelijk werk behoeft te blijven, van deze wordt overgenomen;
h. zo mogelijk advies en voorlichting worden ontvangen van een orgaan van samenwerking, als bedoeld in de regeling voor de subsidiëring van organen van samenwerking voor het maatschappelijk werk op levensbeschouwelijke of algemene grondslag (U 88063);
i. te allen tijde door het bestuur aan de daartoe door of namens de minister aangewezen ambtenaren inlichtingen worden verstrekt omtrent aard en omvang van de werkzaamheden.
2. Indien een instelling niet voldoet aan het gestelde onder d of e van het eerste lid van dit artikel, kan deze toch voor subsidie in aanmerking komen, zij het tot een lager percentage dan genoemd in artikel 14.
Het maximale overheidssubsidie, bedoeld in artikel 31, wordt in dat geval naar evenredigheid verlaagd.