BWBR0002358
Geldig vanaf 1961-12-01
Artikel 9
Instellingsbesluit bedrijfschap bakkersbedrijf
1. Behoudens het in het tweede en derde lid bepaalde, worden de heffingen, bedoeld in artikel 126, eerste lid, van de wet opgelegd:
a. voor de ondernemingen, waarin het in artikel 2, eerste lid, onder a, bedoelde bedrijf wordt uitgeoefend, naar de grondslag van de hoeveelheid meel of bloem, gebezigd voor de bereiding van bakkersartikelen;
b. voor de ondernemingen, waarin het in artikel 2, eerste lid, onder b, bedoelde bedrijf wordt uitgeoefend, naar de grondslag van de in de uitoefening van dat bedrijf verkregen omzet in geld van bakkersartikelen.
2. Als basisheffing kan een periodieke heffing worden opgelegd tot een bedrag, dat voor alle ondernemingen, waarvoor het bedrijfschap is ingesteld, gelijk is.
3. Heffingen, waarvan de opbrengst een bijzondere bestemming heeft, kunnen worden opgelegd naar de grondslag, die het bestuur van het bedrijfschap in verband met die bestemming passend acht.
a. voor de ondernemingen, waarin het in artikel 2, eerste lid, onder a, bedoelde bedrijf wordt uitgeoefend, naar de grondslag van de hoeveelheid meel of bloem, gebezigd voor de bereiding van bakkersartikelen;
b. voor de ondernemingen, waarin het in artikel 2, eerste lid, onder b, bedoelde bedrijf wordt uitgeoefend, naar de grondslag van de in de uitoefening van dat bedrijf verkregen omzet in geld van bakkersartikelen.
2. Als basisheffing kan een periodieke heffing worden opgelegd tot een bedrag, dat voor alle ondernemingen, waarvoor het bedrijfschap is ingesteld, gelijk is.
3. Heffingen, waarvan de opbrengst een bijzondere bestemming heeft, kunnen worden opgelegd naar de grondslag, die het bestuur van het bedrijfschap in verband met die bestemming passend acht.