1. Het bedrijfschap is ingesteld voor de ondernemingen, waarin wordt uitgeoefend:
a. het bedrijf van het bereiden van brood, al dan niet tezamen met andere bakkersartikelen, of
b. het bedrijf van het verkopen van in een andere onderneming bereid brood door middel van wijkbezorging aan particulieren, indien dit gepaard gaat met het bereiden van andere bakkersartikelen.
2. Onder de ondernemingen, bedoeld in het eerste lid, onder
a, zijn niet begrepen:
a. de ondernemingen, waarin uitsluitend roggebrood wordt bereid;
b. de ondernemingen, waarin bij de uitoefening van het banketbakkersbedrijf geen ander brood dan kleinbrood, krentenbrood, kerstbrood of soortgelijke gelegenheidsprodukten wordt bereid.
3. Dit besluit verstaat onder:
bakkersartikelen: geheel of gedeeltelijk uit meel of bloem bereide artikelen;
wederverkoper: degene die een onderneming drijft, waarin brood dat in een andere onderneming is bereid, wordt verkocht aan particulieren;
wet: de
Wet op de Bedrijfsorganisatie.
4. Dit besluit verstaat onder het verkopen en leveren aan particulieren mede het daarmede gepaard gaande verkopen en leveren aan instellingen en aan degenen, die het gekochte in een door hen gedreven onderneming aanwenden.