BWBR0002240
Geldig vanaf 1957-01-01
Artikel 6
Algemene toeslagwet voor gepensioneerde militairen 1956
1. Het verhogingspercentage voor pensioenen, welke krachtens de wet van 28 augustus 1851 ( Stb.127), de Pensioenwet voor de zeemacht 1902 of de wet van 12 juli 1895 ( Stb.104) zijn toegekend, bedraagt 481.
2. Het verhogingspercentage voor pensioenen, welke krachtens de wet van 28 augustus 1851 ( Stb.129), de Pensioenwet voor de landmacht 1902 of de Wet voor het reserve-personeel der landmacht 1905 zijn toegekend, bedraagt 469.
3. Het verhogingspercentage voor pensioenen, welke krachtens de Weduwenwet voor de zeemacht 1909 of het reglement voor het weduwen- en wezenfonds der militaire officieren bij de zeemacht zijn toegekend, bedraagt 481.
4. Het verhogingspercentage voor pensioenen, welke krachtens de Weduwenwet voor de landmacht 1909 of de statuten der weduwen- of wezenkas voor de officieren van de landmacht zijn toegekend, bedraagt 469.
5. Door toepassing van het bepaalde in de vorige leden mag het totaal van het pensioen en de algemene toeslag niet leiden tot een hoger bedrag dan waarop de militair dan wel de weduwe van een militair of van een gepensioneerd militair aanspraak zou hebben gehad, indien het pensioen zou zijn berekend met toepassing van de Pensioenwet voor de zeemacht of voor de landmacht 1922 , de Pensioenwet voor het personeel der Koninklijke marine-reserve of voor het reserve-personeel der landmacht 1923 of de Militaire Weduwenwet 1922, zoals die wetten luiden op het tijdstip van het in werking treden van deze wet, alsmede met toepassing van de op die berekening betrekking hebbende overgangsbepaling. Bij de berekening van laatstbedoeld pensioen wordt uitgegaan van een pensioensgrondslag, afgeleid uit de op 1 januari 1957 van kracht zijnde militaire bezoldigingsregeling, daarbij rekening houdende met dezelfde rang of stand en klasse en de voor betrokkene in aanmerking komende diensttijd voor bezoldiging. Indien het totaal van het pensioen en de algemene toeslag, bedoeld in de aanhef van de eerste volzin, het pensioen, bedoeld in de tweede volzin, overschrijdt, wordt de algemene toeslag zoveel verminderd als nodig is om die overschrijding te voorkomen.
6. Het verhogingspercentage voor pensioenen, welke zijn berekend naar een minimum pensioensgrondslag van onderscheidenlijk f 700, f 1500 en f 2850 bedraagt onderscheidenlijk 376, 122 en 17.
2. Het verhogingspercentage voor pensioenen, welke krachtens de wet van 28 augustus 1851 ( Stb.129), de Pensioenwet voor de landmacht 1902 of de Wet voor het reserve-personeel der landmacht 1905 zijn toegekend, bedraagt 469.
3. Het verhogingspercentage voor pensioenen, welke krachtens de Weduwenwet voor de zeemacht 1909 of het reglement voor het weduwen- en wezenfonds der militaire officieren bij de zeemacht zijn toegekend, bedraagt 481.
4. Het verhogingspercentage voor pensioenen, welke krachtens de Weduwenwet voor de landmacht 1909 of de statuten der weduwen- of wezenkas voor de officieren van de landmacht zijn toegekend, bedraagt 469.
5. Door toepassing van het bepaalde in de vorige leden mag het totaal van het pensioen en de algemene toeslag niet leiden tot een hoger bedrag dan waarop de militair dan wel de weduwe van een militair of van een gepensioneerd militair aanspraak zou hebben gehad, indien het pensioen zou zijn berekend met toepassing van de Pensioenwet voor de zeemacht of voor de landmacht 1922 , de Pensioenwet voor het personeel der Koninklijke marine-reserve of voor het reserve-personeel der landmacht 1923 of de Militaire Weduwenwet 1922, zoals die wetten luiden op het tijdstip van het in werking treden van deze wet, alsmede met toepassing van de op die berekening betrekking hebbende overgangsbepaling. Bij de berekening van laatstbedoeld pensioen wordt uitgegaan van een pensioensgrondslag, afgeleid uit de op 1 januari 1957 van kracht zijnde militaire bezoldigingsregeling, daarbij rekening houdende met dezelfde rang of stand en klasse en de voor betrokkene in aanmerking komende diensttijd voor bezoldiging. Indien het totaal van het pensioen en de algemene toeslag, bedoeld in de aanhef van de eerste volzin, het pensioen, bedoeld in de tweede volzin, overschrijdt, wordt de algemene toeslag zoveel verminderd als nodig is om die overschrijding te voorkomen.
6. Het verhogingspercentage voor pensioenen, welke zijn berekend naar een minimum pensioensgrondslag van onderscheidenlijk f 700, f 1500 en f 2850 bedraagt onderscheidenlijk 376, 122 en 17.