BWBR0002240
Geldig vanaf 1957-01-01
Artikel 4
Algemene toeslagwet voor gepensioneerde militairen 1956
1. Voor de berekening van het verhogingspercentage voor pensioenen, welke krachtens of op de voet van een der wetten, genaamd in artikel 1, eerste lid, aan militairen der zeemacht en aan nabestaanden man militairen of gepensioneerde militairen der zeemacht zijn of worden toegekend - met uitzondering van die, genoemd in het derde lid - hebben de in onderstaande kolommen vermelde grondgetallen betrekking op de daarnaast vermelde tijdvakken en de daarboven vermelde rangen en stand of de door Ons of door Onze Minister van Marine daarmede gelijkgestelde rangen en stand:
[tabel]
[tabel]
[tabel]
2. Voor de berekening van het verhogingspercentage voor pensioenen, welke krachtens of op de voet van een der wetten, genoemd in artikel 1, eerste lid, aan militairen der Koninklijke landmacht of luchtmacht en aan nabestaanden van militairen of gepensioneerde militairen der Koninklijke landmacht of luchtmacht zijn of worden toegekend - met uitzondering van die, genoemd in het derde lid - hebben de in onderstaande kolommen vermelde grondgetallen betrekking op de daarnaast vermelde tijdvakken en de daarboven vermelde rangen en stand en klassen of de door Ons of door Onze Minister van Oorlog daarmede gelijkgestelde rangen en stand der klassen:
[tabel]
[tabel]
[tabel]
[tabel]
3. Voor de berekening van het verhogingspercentage voor:
1°. pensioenen, welke zijn of worden toegekend met gebruikmaking van een pensioensgrondslag, berekend met inachtneming van het bepaalde bij: a. het vierde lid van de artikelen 13 der Pensioenwetten zee- en landmacht 1922 ,
b. het derde lid van de artikelen 14 der Pensioenwetten voor het personeel der Koninklijke marine-reserve en het reserve-personeel der landmacht 1923 ,
c. punt b van artikel 5 der Wet buitengewoon militair pensioen 1914-1918 (Stb. 1948, I 496),
a. het vierde lid van de artikelen 13 der Pensioenwetten zee- en landmacht 1922 ,
b. het derde lid van de artikelen 14 der Pensioenwetten voor het personeel der Koninklijke marine-reserve en het reserve-personeel der landmacht 1923 ,
c. punt b van artikel 5 der Wet buitengewoon militair pensioen 1914-1918 (Stb. 1948, I 496),
2°. pensioenen, welke zijn of worden toegekend krachtens het bepaalde in de artikelen 37, eerste lid onder 4°, 5° en 6° der Pensioenwetten zee- en landmacht 1922 en de artikelen 30, eerste lid onder 4°, 5° en 6° der Pensioenwetten voor het personeel der Koninklijke marine-reserve en het reserve-personeel der landmacht 1923 ,
hebben de in onderstaande kolommen vermelde grondgetallen betrekking op de daarnaast vermelde tijdvakken:
[tabel]
[tabel]
[tabel]
[tabel]
2. Voor de berekening van het verhogingspercentage voor pensioenen, welke krachtens of op de voet van een der wetten, genoemd in artikel 1, eerste lid, aan militairen der Koninklijke landmacht of luchtmacht en aan nabestaanden van militairen of gepensioneerde militairen der Koninklijke landmacht of luchtmacht zijn of worden toegekend - met uitzondering van die, genoemd in het derde lid - hebben de in onderstaande kolommen vermelde grondgetallen betrekking op de daarnaast vermelde tijdvakken en de daarboven vermelde rangen en stand en klassen of de door Ons of door Onze Minister van Oorlog daarmede gelijkgestelde rangen en stand der klassen:
[tabel]
[tabel]
[tabel]
[tabel]
3. Voor de berekening van het verhogingspercentage voor:
1°. pensioenen, welke zijn of worden toegekend met gebruikmaking van een pensioensgrondslag, berekend met inachtneming van het bepaalde bij: a. het vierde lid van de artikelen 13 der Pensioenwetten zee- en landmacht 1922 ,
b. het derde lid van de artikelen 14 der Pensioenwetten voor het personeel der Koninklijke marine-reserve en het reserve-personeel der landmacht 1923 ,
c. punt b van artikel 5 der Wet buitengewoon militair pensioen 1914-1918 (Stb. 1948, I 496),
a. het vierde lid van de artikelen 13 der Pensioenwetten zee- en landmacht 1922 ,
b. het derde lid van de artikelen 14 der Pensioenwetten voor het personeel der Koninklijke marine-reserve en het reserve-personeel der landmacht 1923 ,
c. punt b van artikel 5 der Wet buitengewoon militair pensioen 1914-1918 (Stb. 1948, I 496),
2°. pensioenen, welke zijn of worden toegekend krachtens het bepaalde in de artikelen 37, eerste lid onder 4°, 5° en 6° der Pensioenwetten zee- en landmacht 1922 en de artikelen 30, eerste lid onder 4°, 5° en 6° der Pensioenwetten voor het personeel der Koninklijke marine-reserve en het reserve-personeel der landmacht 1923 ,
hebben de in onderstaande kolommen vermelde grondgetallen betrekking op de daarnaast vermelde tijdvakken:
[tabel]