BWBR0002240
Geldig vanaf 1957-01-01
Artikel 5
Algemene toeslagwet voor gepensioneerde militairen 1956
1. Indien de periode, welke bepalend is voor de pensioensgrondslag, waarnaar het pensioen is berekend, geheel valt binnen een der in artikel 4bedoelde tijdvakken en rangen of stand en klassen, dan wel samenvalt met een zodanig tijdvak, is het verhogingspercentage gelijk aan het grondgetal, dat betrekking heeft op bedoeld tijdvak en bedoelde rang of stand of klasse.
2. Indien de in het vorige lid bedoelde periode meer dan één tijdvak of rang of stand en klasse, als bedoeld in artikel 4, of gedeelte van een zodanig tijdvak omvat, is het verhogingspercentage gelijk aan de, over dezelfde periode en op overeenkomstige wijze als de pensioensgrondslag berekende, middelsom van de op die tijdvakken of gedeelten van tijdvakken dan wel op die rangen of stand en klassen betrekking hebbende grondgetallen.
3. Voor de toepassing van het tweede lid wordt de daar bedoelde periode geacht zodanig te zijn verschoven, dat:
a. voor zover de laatste dag daarvan valt op de eerste tot en met de vijftiende dag van een maand, het einde daarvan geacht wordt samen te vallen met de laatste dag van de voorafgaande maand;
b. voor zover de laatste dag daarvan valt op de zestiende tot en met op één na de laatste dag van een maand, het einde daarvan geacht wordt samen te vallen met de laatste dag van de maand.
4. De verhogingspercentages, welke geen geheel getal bedragen, worden op het naastliggende gehele getal afgerond, met dien verstande, dat ½ naar boven wordt afgerond.
2. Indien de in het vorige lid bedoelde periode meer dan één tijdvak of rang of stand en klasse, als bedoeld in artikel 4, of gedeelte van een zodanig tijdvak omvat, is het verhogingspercentage gelijk aan de, over dezelfde periode en op overeenkomstige wijze als de pensioensgrondslag berekende, middelsom van de op die tijdvakken of gedeelten van tijdvakken dan wel op die rangen of stand en klassen betrekking hebbende grondgetallen.
3. Voor de toepassing van het tweede lid wordt de daar bedoelde periode geacht zodanig te zijn verschoven, dat:
a. voor zover de laatste dag daarvan valt op de eerste tot en met de vijftiende dag van een maand, het einde daarvan geacht wordt samen te vallen met de laatste dag van de voorafgaande maand;
b. voor zover de laatste dag daarvan valt op de zestiende tot en met op één na de laatste dag van een maand, het einde daarvan geacht wordt samen te vallen met de laatste dag van de maand.
4. De verhogingspercentages, welke geen geheel getal bedragen, worden op het naastliggende gehele getal afgerond, met dien verstande, dat ½ naar boven wordt afgerond.