BWBR0002126
Geldig vanaf 2001-01-01
Artikel 17
Coördinatiewet Sociale Verzekering
1. Degene, die gemoedsbezwaren heeft tegen een van de verzekeringen ingevolge de <a href="/wet/BWBR0001888" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">Ziektewet</a>, de <a href="/wet/BWBR0002524" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering</a>, de <a href="/wet/BWBR0004045" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">Werkloosheidswet</a>en de <a href="/wet/BWBR0002460" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">Ziekenfondswet</a>, alsmede de rechtspersoon waarbij natuurlijke personen betrokken zijn die zodanige gemoedsbezwaren hebben, kunnen met inachtneming van bij ministeriële regeling te stellen regels en voorwaarden door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen worden vrijgesteld van de bij die maatregel aan te wijzen verplichtingen, welke hun bij of krachtens genoemde wetten en deze wet zijn opgelegd.
2. In de maand januari van elk kalenderjaar doet het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan de inspecteur der directe belastingen, die ten aanzien van de werkgever bevoegd is met betrekking tot de loonbelasting, toekomen een staat vermeldende naam en woon- of vestigingsplaats van die werkgever, alsmede het bedrag, waarvoor die werkgever over het afgelopen kalenderjaar aansprakelijk zou zijn geweest, indien hem niet de vorenbedoelde vrijstelling was verleend.
3. Naar aanleiding van de in het vorige lid bedoelde opgave of opgaven wordt uit hoofde van de krachtens het bepaalde in het eerste lid aan de werkgever verleende vrijstelling van premiebetaling aan hem over het desbetreffende kalenderjaar een naheffingsaanslag in de loonbelasting - zonder boete - opgelegd ter grootte van het in totaal opgegeven premiebedrag.
4. De in het vorige lid bedoelde naheffingsaanslag in de loonbelasting wordt ingevorderd overeenkomstig de bepalingen geldende voor de invordering van de loonbelasting en als loonbelasting verantwoord, doch overigens voor de heffing van de loonbelasting niet als zodanig aangemerkt.
5. Het bedrag aan premie, waarvoor een werkgever aansprakelijk zou zijn geweest, indien hem niet de in het eerste lid bedoelde vrijstelling was verleend, komt voor rekening van het Rijk.
6. Bij de ministeriële regeling, bedoeld in het eerste lid, worden tevens geregeld de verdere gevolgen, welke aan het verlenen van vrijstelling wegens gemoedsbezwaren zijn verbonden, alsmede de gevallen, waarin de vrijstelling wordt of kan worden ingetrokken en de aan de intrekking verbonden gevolgen.
2. In de maand januari van elk kalenderjaar doet het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan de inspecteur der directe belastingen, die ten aanzien van de werkgever bevoegd is met betrekking tot de loonbelasting, toekomen een staat vermeldende naam en woon- of vestigingsplaats van die werkgever, alsmede het bedrag, waarvoor die werkgever over het afgelopen kalenderjaar aansprakelijk zou zijn geweest, indien hem niet de vorenbedoelde vrijstelling was verleend.
3. Naar aanleiding van de in het vorige lid bedoelde opgave of opgaven wordt uit hoofde van de krachtens het bepaalde in het eerste lid aan de werkgever verleende vrijstelling van premiebetaling aan hem over het desbetreffende kalenderjaar een naheffingsaanslag in de loonbelasting - zonder boete - opgelegd ter grootte van het in totaal opgegeven premiebedrag.
4. De in het vorige lid bedoelde naheffingsaanslag in de loonbelasting wordt ingevorderd overeenkomstig de bepalingen geldende voor de invordering van de loonbelasting en als loonbelasting verantwoord, doch overigens voor de heffing van de loonbelasting niet als zodanig aangemerkt.
5. Het bedrag aan premie, waarvoor een werkgever aansprakelijk zou zijn geweest, indien hem niet de in het eerste lid bedoelde vrijstelling was verleend, komt voor rekening van het Rijk.
6. Bij de ministeriële regeling, bedoeld in het eerste lid, worden tevens geregeld de verdere gevolgen, welke aan het verlenen van vrijstelling wegens gemoedsbezwaren zijn verbonden, alsmede de gevallen, waarin de vrijstelling wordt of kan worden ingetrokken en de aan de intrekking verbonden gevolgen.