BWBR0002126
Geldig vanaf 2001-01-01
Artikel 16a
Coördinatiewet Sociale Verzekering
1. Ingeval een werknemer met instandhouding van de dienstbetrekking tot zijn werkgever, de uitlener, door deze ter beschikking is gesteld aan een derde, de inlener, om onder diens toezicht of leiding werkzaam te zijn, is de inlener hoofdelijk aansprakelijk voor de premie en de voorschotpremie, welke de uitlener is verschuldigd in verband met het verrichten van die werkzaamheden door die werknemer.
2. Onder inlener wordt mede verstaan:
a. de doorlener, zijnde degene aan wie een werknemer ter beschikking is gesteld en die deze werknemer vervolgens ter beschikking stelt aan een derde om onder diens toezicht of leiding werkzaam te zijn;
b. de in onderdeel a bedoelde derde, aan wie door een doorlener een werknemer ter beschikking is gesteld om onder toezicht of leiding van die derde werkzaam te zijn.
3. Voor de toepassing van dit artikel wordt de boete, bedoeld in artikel 12, tweede of derde lid, niet als premie beschouwd.
4. Indien een inlener ingevolge een overeenkomst met de uitlener ten behoeve van de voldoening van sociale verzekeringspremies, loonbelasting en omzetbelasting in verband met het verrichten van werkzaamheden door een ter beschikking gestelde werknemer, alsmede dat ter beschikking stellen, een bedrag heeft overgemaakt op een rekening die door die uitlener ten behoeve van de betaling van sociale verzekeringspremies, loonbelasting en omzetbelasting wordt gehouden bij een kredietinstelling die is geregistreerd ingevolge <a href="/wet/BWBR0005792/artikel/52" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">artikel 52, tweede lid, onder a, b, of c, van de Wet toezicht kredietwezen 1992</a>en die een kredietinstelling is als bedoeld in <a href="/wet/BWBR0005792/artikel/1" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">artikel 1, eerste lid, onderdeel a, onder 1°, van die wet,</a>wordt het bedrag waarvoor de aansprakelijkheid van de inlener uit hoofde van het eerste en tweede lid en van <a href="/wet/BWBR0004770/artikel/34" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">artikel 34, eerste en tweede lid, van de Invorderingswet 1990</a>met betrekking tot die werkzaamheden en dat ter beschikking stellen in eerste aanleg bestaat, verminderd met dat overgemaakte bedrag.
5. Het vierde lid is niet van toepassing voor zover de inlener wist of redelijkerwijs moest vermoeden dat de uitlener in gebreke zou blijven het op de in dat lid bedoelde rekening gestorte bedrag aan te wenden voor de betaling van sociale verzekeringspremies, loonbelasting of omzetbelasting.
6. De aansprakelijkheid op grond van het eerste lid geldt niet met betrekking tot de premie of voorschotpremie verschuldigd door de uitlener, indien aannemelijk is dat de niet-betaling door de uitlener noch aan hem noch aan een inlener is te wijten.
7. De inlener die hoofdelijk aansprakelijk is, kan slechts worden aangesproken, wanneer de uitlener met de betaling van de premie of de voorschotpremie in gebreke is.
8. De artikelen 10 tot en met 16zijn ten aanzien van de inlener van overeenkomstige toepassing, met dien verstande, dat in artikel 10, onder a, in plaats van «een loonadministratie te voeren» wordt gelezen: «een administratie te voeren, aan de hand waarvan het door de werknemer genoten loon kan worden vastgesteld». Bij ministeriële regeling kunnen voor dit artikellid nadere regels worden gesteld.
9. De inlener wordt ter zake van de toepassing van de artikelen 10 tot en met 16, alsmede ter zake van het instellen van bezwaar en beroep tegen een beslissing betreffende verschuldigde premie mede als werkgever in de zin van deze wet beschouwd.
10. Bij ministeriële regeling worden nadere regels gesteld met betrekking tot de toepassing van het vierde lid.
11. Dit artikel is niet van toepassing indien de werkzaamheden die door de ter beschikking gestelde werknemer zijn verricht, ondergeschikt zijn aan een tussen de uitlener en de inlener, dan wel tussen de doorlener en de inlener, gesloten overeenkomst van koop en verkoop van een bestaande zaak.
2. Onder inlener wordt mede verstaan:
a. de doorlener, zijnde degene aan wie een werknemer ter beschikking is gesteld en die deze werknemer vervolgens ter beschikking stelt aan een derde om onder diens toezicht of leiding werkzaam te zijn;
b. de in onderdeel a bedoelde derde, aan wie door een doorlener een werknemer ter beschikking is gesteld om onder toezicht of leiding van die derde werkzaam te zijn.
3. Voor de toepassing van dit artikel wordt de boete, bedoeld in artikel 12, tweede of derde lid, niet als premie beschouwd.
4. Indien een inlener ingevolge een overeenkomst met de uitlener ten behoeve van de voldoening van sociale verzekeringspremies, loonbelasting en omzetbelasting in verband met het verrichten van werkzaamheden door een ter beschikking gestelde werknemer, alsmede dat ter beschikking stellen, een bedrag heeft overgemaakt op een rekening die door die uitlener ten behoeve van de betaling van sociale verzekeringspremies, loonbelasting en omzetbelasting wordt gehouden bij een kredietinstelling die is geregistreerd ingevolge <a href="/wet/BWBR0005792/artikel/52" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">artikel 52, tweede lid, onder a, b, of c, van de Wet toezicht kredietwezen 1992</a>en die een kredietinstelling is als bedoeld in <a href="/wet/BWBR0005792/artikel/1" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">artikel 1, eerste lid, onderdeel a, onder 1°, van die wet,</a>wordt het bedrag waarvoor de aansprakelijkheid van de inlener uit hoofde van het eerste en tweede lid en van <a href="/wet/BWBR0004770/artikel/34" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">artikel 34, eerste en tweede lid, van de Invorderingswet 1990</a>met betrekking tot die werkzaamheden en dat ter beschikking stellen in eerste aanleg bestaat, verminderd met dat overgemaakte bedrag.
5. Het vierde lid is niet van toepassing voor zover de inlener wist of redelijkerwijs moest vermoeden dat de uitlener in gebreke zou blijven het op de in dat lid bedoelde rekening gestorte bedrag aan te wenden voor de betaling van sociale verzekeringspremies, loonbelasting of omzetbelasting.
6. De aansprakelijkheid op grond van het eerste lid geldt niet met betrekking tot de premie of voorschotpremie verschuldigd door de uitlener, indien aannemelijk is dat de niet-betaling door de uitlener noch aan hem noch aan een inlener is te wijten.
7. De inlener die hoofdelijk aansprakelijk is, kan slechts worden aangesproken, wanneer de uitlener met de betaling van de premie of de voorschotpremie in gebreke is.
8. De artikelen 10 tot en met 16zijn ten aanzien van de inlener van overeenkomstige toepassing, met dien verstande, dat in artikel 10, onder a, in plaats van «een loonadministratie te voeren» wordt gelezen: «een administratie te voeren, aan de hand waarvan het door de werknemer genoten loon kan worden vastgesteld». Bij ministeriële regeling kunnen voor dit artikellid nadere regels worden gesteld.
9. De inlener wordt ter zake van de toepassing van de artikelen 10 tot en met 16, alsmede ter zake van het instellen van bezwaar en beroep tegen een beslissing betreffende verschuldigde premie mede als werkgever in de zin van deze wet beschouwd.
10. Bij ministeriële regeling worden nadere regels gesteld met betrekking tot de toepassing van het vierde lid.
11. Dit artikel is niet van toepassing indien de werkzaamheden die door de ter beschikking gestelde werknemer zijn verricht, ondergeschikt zijn aan een tussen de uitlener en de inlener, dan wel tussen de doorlener en de inlener, gesloten overeenkomst van koop en verkoop van een bestaande zaak.