BWBR0001925
Geldig vanaf 1926-02-01
Artikel 7
Zuiderzeesteunwet 1925
1. Aan belanghebbenden kan, onder voorwaarde van aflossing, uiterlijk in vijftien jaren en tegen vergoeding van rente, met een maximum van 5 % en een minimum van 3 % 's jaars, voor ieder geval door of vanwege Onzen Minister te bepalen, crediet worden verleend, voor zooverre het moet strekken tot voortzetting, verplaatsing of vervorming van eenig bedrijf of inrichting van een nieuw bedrijf.
2. De termijn, waarbinnen aflossing van crediet moet plaats hebben en het tijdstip, waarop de rente moet worden betaald, kan op verzoek van belanghebbenden door of vanwege Onzen Minister worden uitgesteld, indien voor inwilliging een geldige reden bestaat.
3. Bij ontbinding van een vennootschap of stichting en bij faillissement zijn de nog verschuldigde gelden terstond opvorderbaar, terwijl opvordering dier gelden eveneens kan plaats hebben in geval van wanprestatie of beëindiging van het bedrijf.
4. Het crediet wordt slechts verleend onder schriftelijk beding, dat de credietnemer zijn roerende of onroerende goederen niet zal belasten met pand of hypotheek, pand- of verbandbrieven op schepen daaronder begrepen, tenzij na daartoe vooraf bekomen schriftelijke machtiging van Onzen Minister. Bij de credietverleening zal voorts worden overeengekomen, dat bij niet-nakoming van dit beding de schuld terstond opvorderbaar wordt en dat de schuldenaar deswege een boete zal verbeuren ten beloope van tien ten honderd van de hoofdsom der schuld. Voor de voldoening dezer boete zal de credietnemer als regel persoonlijke zekerheid moeten stellen.
2. De termijn, waarbinnen aflossing van crediet moet plaats hebben en het tijdstip, waarop de rente moet worden betaald, kan op verzoek van belanghebbenden door of vanwege Onzen Minister worden uitgesteld, indien voor inwilliging een geldige reden bestaat.
3. Bij ontbinding van een vennootschap of stichting en bij faillissement zijn de nog verschuldigde gelden terstond opvorderbaar, terwijl opvordering dier gelden eveneens kan plaats hebben in geval van wanprestatie of beëindiging van het bedrijf.
4. Het crediet wordt slechts verleend onder schriftelijk beding, dat de credietnemer zijn roerende of onroerende goederen niet zal belasten met pand of hypotheek, pand- of verbandbrieven op schepen daaronder begrepen, tenzij na daartoe vooraf bekomen schriftelijke machtiging van Onzen Minister. Bij de credietverleening zal voorts worden overeengekomen, dat bij niet-nakoming van dit beding de schuld terstond opvorderbaar wordt en dat de schuldenaar deswege een boete zal verbeuren ten beloope van tien ten honderd van de hoofdsom der schuld. Voor de voldoening dezer boete zal de credietnemer als regel persoonlijke zekerheid moeten stellen.