BWBR0001925
Geldig vanaf 1926-02-01
Artikel 13
Zuiderzeesteunwet 1925
1. Leidt de afsluiting van de Zuiderzee, of leiden de inpolderingen in het IJsselmeer tot zodanige omstandigheden, dat inkomsten ontleend aan de IJsselmeervisserij, aan belanghebbenden en hun gezinnen, of andere personen met wier verzorging zij naar het oordeel van Onze Minister zijn belast, gaan ontbreken en zijn zij niet in staat door aanwending van eigen arbeidskracht of uitoefening van een beroep of bedrijf zich voldoende middelen tot levensonderhoud te verschaffen, dan wordt hun, naar door Ons te stellen regelen, een geldelijke tegemoetkoming verleend.
2. Deze tegemoetkoming kan door belanghebbenden, die op 16 December 1927 jonger dan vijf en twintig jaar waren in den regel gedurende ten hoogste drie jaar, en voor zoover zij vijf en twintig of ouder doch jonger dan vijf en dertig jaar zijn, in den regel gedurende ten hoogste vijf jaar worden genoten.
3. Het bepaalde in het vorige lid is niet van toepassing:
a. op de belanghebbende, die in het jaar 1950, 1951 of 1952 in het bezit is geweest van een vergunning, als bedoeld in artikel 17 van de Visserijwet, tot uitoefening van de IJsselmeervisserij;
b. op de belanghebbende, die in 1950, 1951 of 1952 als knecht of medeschipper aan boord van het vaartuig, waarmede vergunninghouders, als hierboven bedoeld, de visserij uitoefenden, werkzaam zijn geweest en daarin sedert 1 mei 1947 tot het verlaten van de IJsselmeervisserij, zonder wezenlijke onderbreking, hoofdmiddel van bestaan hebben gevonden;
c. op, nadat deze de 65-jarige leeftijd hebben bereikt, met belanghebbenden gelijkgestelde weduwen van belanghebbenden, onder a. bedoeld, voor zoveel haar overleden echtgenoten aanspraak op geldelijke tegemoetkoming konden maken, of bij staken van het bedrijf zouden hebben kunnen maken, alsmede op, nadat deze 65-jarige leeftijd hebben bereikt, met belanghebbenden gelijkgestelde weduwen van belanghebbenden, onder b bedoeld, voor zoveel haar overleden echtgenoten aanspraak op geldelijke tegemoetkoming konden maken of bij staken van het bedrijf zouden hebben kunnen maken en in 1950, 1951 of 1952 mede-eigenaars waren van het schip, aan boord waarvan zij de visserij uitoefenden en voor hun aandeel in de eigendom volledig het risico droegen van het bedrijf.
4. In andere gevallen zal omtrent den tijdsduur der tegemoetkoming naar gelang van omstandigheden door of vanwege Onzen Minister worden beslist, met dien verstande, dat de tegemoetkoming aan belanghebbenden, die bij het in werking treden van deze wet zestig jaar of ouder zijn, in den regel zal worden verleend voor den duur van hun leven.
2. Deze tegemoetkoming kan door belanghebbenden, die op 16 December 1927 jonger dan vijf en twintig jaar waren in den regel gedurende ten hoogste drie jaar, en voor zoover zij vijf en twintig of ouder doch jonger dan vijf en dertig jaar zijn, in den regel gedurende ten hoogste vijf jaar worden genoten.
3. Het bepaalde in het vorige lid is niet van toepassing:
a. op de belanghebbende, die in het jaar 1950, 1951 of 1952 in het bezit is geweest van een vergunning, als bedoeld in artikel 17 van de Visserijwet, tot uitoefening van de IJsselmeervisserij;
b. op de belanghebbende, die in 1950, 1951 of 1952 als knecht of medeschipper aan boord van het vaartuig, waarmede vergunninghouders, als hierboven bedoeld, de visserij uitoefenden, werkzaam zijn geweest en daarin sedert 1 mei 1947 tot het verlaten van de IJsselmeervisserij, zonder wezenlijke onderbreking, hoofdmiddel van bestaan hebben gevonden;
c. op, nadat deze de 65-jarige leeftijd hebben bereikt, met belanghebbenden gelijkgestelde weduwen van belanghebbenden, onder a. bedoeld, voor zoveel haar overleden echtgenoten aanspraak op geldelijke tegemoetkoming konden maken, of bij staken van het bedrijf zouden hebben kunnen maken, alsmede op, nadat deze 65-jarige leeftijd hebben bereikt, met belanghebbenden gelijkgestelde weduwen van belanghebbenden, onder b bedoeld, voor zoveel haar overleden echtgenoten aanspraak op geldelijke tegemoetkoming konden maken of bij staken van het bedrijf zouden hebben kunnen maken en in 1950, 1951 of 1952 mede-eigenaars waren van het schip, aan boord waarvan zij de visserij uitoefenden en voor hun aandeel in de eigendom volledig het risico droegen van het bedrijf.
4. In andere gevallen zal omtrent den tijdsduur der tegemoetkoming naar gelang van omstandigheden door of vanwege Onzen Minister worden beslist, met dien verstande, dat de tegemoetkoming aan belanghebbenden, die bij het in werking treden van deze wet zestig jaar of ouder zijn, in den regel zal worden verleend voor den duur van hun leven.