BWBR0001905
Geldig vanaf 1921-08-30
Artikel 44
Verenwet
1. Heeft de opheffing van het veerrecht ingevolge art. 20of 21plaats gehad, dan blijven het Rijk, de provincie of de provinciën, naar gelang de opheffing plaats had krachten een besluit van Ons of van gedeputeerde staten van één of meer provinciën, verplicht tot schadeloosstelling van hen, die tot het veerrecht of het vruchtgebruik daarvan ten tijde der opheffing gerechtigd waren, en zulks bij opheffing ingevolge art. 21, behoudens verhaal op degenen, die ten onrechte eene schadeloosstelling wegens de opheffing van het veerrecht hebben ontvangen, ten hoogste tot het bedrag, zonder bijberekening van renten, dat als schadeloosstelling aan deze is uitbetaald.
2. Is geen der partijen in het krachtens art. 23gevoerde geding tot het veerrecht of het vruchtgebruik daarvan gerechtigd verklaard, dan blijft gelijke verplichting bestaan met betrekking tot die gerechtigden, welke geen partij waren in het gevoerde geding.
3. In alle overige gevallen hebben zij, die ten tijde der opheffing gerechtigd waren tot het veerrecht of het vruchtgebruik daarvan, en geen schadeloosstelling hebben genoten, verhaal op degenen, die ten onrechte eene schadeloosstelling wegens de opheffing van het veerrecht hebben ontvangen, ten hoogste tot het bedrag, zonder bijberekening van renten, dat verhaal op degenen, die ten onrechte eene schadeloosstelling stelling, welke hun toekomt, meer bedraagt, kunnen zij vorderen van het Rijk, de provincie of de provinciën, naar gelang de opheffing plaats had krachtens een besluit van Ons of van de Staten van een of meer provinciën.
4. De rechtsvorderingen tot voldoening van het volgens dit artikel verschuldigde worden aangebracht bij de rechtbank of een der rechtbanken, binnen wier rechtsgebied het veer geheel of ten deele is gelegen. Zij vervallen één jaar na de dagteekening van de Staatscourant onderscheidenlijk het provinciaal blad waarin het besluit tot opheffing van het veerrecht is bekendgemaakt.
2. Is geen der partijen in het krachtens art. 23gevoerde geding tot het veerrecht of het vruchtgebruik daarvan gerechtigd verklaard, dan blijft gelijke verplichting bestaan met betrekking tot die gerechtigden, welke geen partij waren in het gevoerde geding.
3. In alle overige gevallen hebben zij, die ten tijde der opheffing gerechtigd waren tot het veerrecht of het vruchtgebruik daarvan, en geen schadeloosstelling hebben genoten, verhaal op degenen, die ten onrechte eene schadeloosstelling wegens de opheffing van het veerrecht hebben ontvangen, ten hoogste tot het bedrag, zonder bijberekening van renten, dat verhaal op degenen, die ten onrechte eene schadeloosstelling stelling, welke hun toekomt, meer bedraagt, kunnen zij vorderen van het Rijk, de provincie of de provinciën, naar gelang de opheffing plaats had krachtens een besluit van Ons of van de Staten van een of meer provinciën.
4. De rechtsvorderingen tot voldoening van het volgens dit artikel verschuldigde worden aangebracht bij de rechtbank of een der rechtbanken, binnen wier rechtsgebied het veer geheel of ten deele is gelegen. Zij vervallen één jaar na de dagteekening van de Staatscourant onderscheidenlijk het provinciaal blad waarin het besluit tot opheffing van het veerrecht is bekendgemaakt.