BWBR0001905
Geldig vanaf 1921-08-30
Artikel 14
Verenwet
1. Vervallenverklaring op de in art. 13 onder 1 en 2omschreven gronden kan niet worden uitgesproken, indien de gerechtigde tot het veerrecht aantoont, dat hij aan de verboden handelingen of aan het niet dagelijks of niet voldoende bedienen van het veer naar redelijkheid geen schuld heeft.
2. Vervallenverklaring op de in a rt. 13 onder 2, 3 en 4omschreven gronden kan slechts worden uitgesproken, indien de gerechtigde tot het veerrecht aan een bevel tot betere bediening van het veer, verbetering der toegangen of beter onderhoud van de brug geen gevolg heeft gegeven binnen een daarbij gestelden bekwamen termijn.
3. Op dezelfde wijze moet op getrouwe naleving van de artt. 9en 10zijn aangedrongen, om tot toepassing van art. 13 onder 1, te kunnen overgaan.
2. Vervallenverklaring op de in a rt. 13 onder 2, 3 en 4omschreven gronden kan slechts worden uitgesproken, indien de gerechtigde tot het veerrecht aan een bevel tot betere bediening van het veer, verbetering der toegangen of beter onderhoud van de brug geen gevolg heeft gegeven binnen een daarbij gestelden bekwamen termijn.
3. Op dezelfde wijze moet op getrouwe naleving van de artt. 9en 10zijn aangedrongen, om tot toepassing van art. 13 onder 1, te kunnen overgaan.