BWBR0001882
Geldig vanaf 1912-09-01
Artikel 24
Rompwet instellingen van weldadigheid
De besturen behoeven de machtiging van Gedeputeerde Staten tot het opnemen van gelden; vervreemden, uitgeven op erfpacht, verruilen of bezwaren van onroerende zaken of vervreemden van kunstvoorwerpen of geschiedkundige gedenkstukken; verkoopen of overdragen van effecten, actiën en schuldvorderingen; verleenen van kwijtschelding of afslag van pachtgelden, huurpenningen en interesten; voeren van rechtsgedingen, met uitzondering van die over de vraag of de instelling een instelling van weldadigheid is en tot welke van de in artikel 2omschreven soorten zij behoort; aangaan van vaststellingsovereenkomsten ter beëindiging van geschillen en opdragen van de beslissing van eene zaak aan scheidsmannen, en alle andere daden, die buiten het gewoon beheer vallen. Onroerende zaken worden niet anders dan in het openbaar verhuurd of verpacht. Gedeputeerde Staten kunnen evenwel voor een, door hen te bepalen, aantal jaren toestaan, dat bepaalde onroerende zaken ondershands worden verhuurd of verpacht.