BWBR0001880
Geldig vanaf 1910-12-12
Artikel 53
Pandhuiswet 1910
1. De opsporingsambtenaren zijn te allen tijde bevoegd tot inbeslagneming van daarvoor vatbare voorwerpen. Zij kunnen daartoe hun uitlevering vorderen.
2. De voormelde ambtenaren hebben te allen tijde vrijen toegang tot alle localiteiten en alle plaatsen, waar een bank van leening wordt gehouden of waar redelijkerwijze vermoed kan worden, dat een bank van leening gehouden wordt.
3. Bij het opsporen van een bij of krachtens deze wet strafbaar gesteld feit hebben de in het eerste lid bedoelde ambtenaren toegang tot elke plaats, waar een bank van lening wordt gehouden of waar redelijkerwijs vermoed kan worden, dat een bank van lening gehouden wordt, voor zover dat redelijkerwijs voor de vervulling van hun taak nodig is.
2. De voormelde ambtenaren hebben te allen tijde vrijen toegang tot alle localiteiten en alle plaatsen, waar een bank van leening wordt gehouden of waar redelijkerwijze vermoed kan worden, dat een bank van leening gehouden wordt.
3. Bij het opsporen van een bij of krachtens deze wet strafbaar gesteld feit hebben de in het eerste lid bedoelde ambtenaren toegang tot elke plaats, waar een bank van lening wordt gehouden of waar redelijkerwijs vermoed kan worden, dat een bank van lening gehouden wordt, voor zover dat redelijkerwijs voor de vervulling van hun taak nodig is.