BWBR0001880
Geldig vanaf 1910-12-12
Artikel 14
Pandhuiswet 1910
1. De toelating wordt schriftelijk gevraagd onder overlegging van een opgave van het perceel en de localiteiten, waarin de bank zal worden gehouden.
2. Zij wordt alleen geweigerd, indien:
a. te duchten is, dat de bank niet in overeenstemming met de bepalingen van deze wet of van plaatselijke verordeningen zal worden gehouden of overigens misbruiken ten nadeele van de beleeners zijn te duchten;
b. de localiteiten, waarin de bank zal worden gehouden, niet voldoen aan eischen, daarvoor bij plaatselijke verordening gesteld.
3. Het verzoek om toelating wordt binnen een week, nadat het is ingekomen, ter openbare kennis gebracht. Ieder kan tegen de inwilliging bezwaren bij Burgemeester en Wethouders inbrengen.
2. Zij wordt alleen geweigerd, indien:
a. te duchten is, dat de bank niet in overeenstemming met de bepalingen van deze wet of van plaatselijke verordeningen zal worden gehouden of overigens misbruiken ten nadeele van de beleeners zijn te duchten;
b. de localiteiten, waarin de bank zal worden gehouden, niet voldoen aan eischen, daarvoor bij plaatselijke verordening gesteld.
3. Het verzoek om toelating wordt binnen een week, nadat het is ingekomen, ter openbare kennis gebracht. Ieder kan tegen de inwilliging bezwaren bij Burgemeester en Wethouders inbrengen.