BWBR0001880
Geldig vanaf 1910-12-12
Artikel 37
Pandhuiswet 1910
1. Burgemeester en wethouders kunnen bepalen:
a. eischen, waaraan localiteiten, waarin een bank van leening zal worden gehouden, moeten voldoen, alvorens de toelating, bedoeld in art. 13, kan worden verleend;
b. een model voor het register, bedoeld in art. 18;
c. een maximum van hetgeen ingevolge art. 35 gevorderd mag worden, met inachtneming van de in art. 35, derde lid, toegelaten onderscheidingen;
d. uren gedurende welke de banken van leening gesloten moeten zijn;
e. dat in de localiteiten of in het perceel, waarin een bank van leening gehouden wordt, zekere beroepen of bedrijven niet of niet zonder toestemming van Burgemeester en Wethouders uitgeoefend mogen worden of zekere bezigheden niet of niet zonder toestemming van Burgemeester en Wethouders mogen geschieden;
f. wat door den houder van een bank van leening moet worden gedaan ter wering van verspreiding van besmettelijke ziekten door panden.
2. Een besluit, vastgesteld ingevolge het vorige lid, wordt ter openbare kennis gebracht en aan de houders van banken van leening medegedeeld. De houders van banken van leening zijn van den tweeden dag af na den dag der mededeeling gehouden tot naleving van een besluit als bedoeld onder letter cen dvan het vorige lid; tot naleving van een besluit, als bedoeld onder letter b, een fzijn zij gehouden van den dertigsten dag af na den dag der mededeeling.
a. eischen, waaraan localiteiten, waarin een bank van leening zal worden gehouden, moeten voldoen, alvorens de toelating, bedoeld in art. 13, kan worden verleend;
b. een model voor het register, bedoeld in art. 18;
c. een maximum van hetgeen ingevolge art. 35 gevorderd mag worden, met inachtneming van de in art. 35, derde lid, toegelaten onderscheidingen;
d. uren gedurende welke de banken van leening gesloten moeten zijn;
e. dat in de localiteiten of in het perceel, waarin een bank van leening gehouden wordt, zekere beroepen of bedrijven niet of niet zonder toestemming van Burgemeester en Wethouders uitgeoefend mogen worden of zekere bezigheden niet of niet zonder toestemming van Burgemeester en Wethouders mogen geschieden;
f. wat door den houder van een bank van leening moet worden gedaan ter wering van verspreiding van besmettelijke ziekten door panden.
2. Een besluit, vastgesteld ingevolge het vorige lid, wordt ter openbare kennis gebracht en aan de houders van banken van leening medegedeeld. De houders van banken van leening zijn van den tweeden dag af na den dag der mededeeling gehouden tot naleving van een besluit als bedoeld onder letter cen dvan het vorige lid; tot naleving van een besluit, als bedoeld onder letter b, een fzijn zij gehouden van den dertigsten dag af na den dag der mededeeling.