BWBR0001876
Geldig vanaf 1909-09-27
Artikel 21
Schepenwet
1. Hij, die een beroep van eene beslissing of een voorschrift instelt, zet in zijn beroepschrift zijne bezwaren tegen die beslissing of dat voorschrift uiteen en zendt gelijktijdig een afschrift van het beroepschrift aan den ambtenaar van wiens beslissing of voorschrift hij beroep instelt en aan het hoofd van de scheepvaartinspectie, indien deze niet is de ambtenaar van wiens beslissing of voorschrift beroep wordt ingesteld.
2. Alvorens uitspraak te doen is de voorzitter van den Raad voor de scheepvaart of van een Commissie als bedoeld in artikel 26bissteeds bevoegd en op aanvrage van den appellant, van den ambtenaar van wiens beslissing of voorschrift beroep is ingesteld of van het hoofd van de scheepvaartinspectie, verplicht aan ieder hunner gelegenheid te geven hunne bezwaren mondeling in persoon of bij gemachtigde toe te lichten.
2. Alvorens uitspraak te doen is de voorzitter van den Raad voor de scheepvaart of van een Commissie als bedoeld in artikel 26bissteeds bevoegd en op aanvrage van den appellant, van den ambtenaar van wiens beslissing of voorschrift beroep is ingesteld of van het hoofd van de scheepvaartinspectie, verplicht aan ieder hunner gelegenheid te geven hunne bezwaren mondeling in persoon of bij gemachtigde toe te lichten.