Rechtspraak
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
2025-10-07
ECLI:NL:GHARL:2025:6108
Strafrecht, Bestuursrecht; Bestuursstrafrecht
Hoger beroep
1,973 tokens
Inleiding
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
zittingsplaats Leeuwarden
Zaaknummer
: Wahv 200.348.007/01
CJIB-nummer
: 248132527
Uitspraak d.d.
: 7 oktober 2025
Arrest op het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank Midden-Nederland van 11 oktober 2024, betreffende
[de betrokkene] (hierna: de betrokkene),
wonende te [woonplaats] .
De gemachtigde van de betrokkene is mr. N.G.A. Voorbach, kantoorhoudende te Zoetermeer.
Dictum
De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie gedeeltelijk gegrond verklaard en de sanctie gematigd tot een bedrag van € 262,50. Het verzoek om een proceskostenvergoeding is toegewezen tot een bedrag van € 437,50.
Het verloop van de procedure
De gemachtigde van de betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter. Er is gevraagd om een proceskostenvergoeding.
De advocaat-generaal heeft een verweerschrift ingediend.
De gemachtigde van de betrokkene heeft de gelegenheid gekregen het beroep schriftelijk nader toe te lichten. Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt.
Beoordeling
1. Aan de betrokkene is als kentekenhouder bij inleidende beschikking een sanctie opgelegd van € 350,- voor: “als bestuurder tijdens het rijden een mobiel elektronisch apparaat vasthouden”. Deze gedraging zou zijn verricht op 16 maart 2022 om 07:26 uur op de Rijksweg A27 in Utrecht met het voertuig met het kenteken [kenteken] .
2. De gemachtigde voert aan dat de betrokkene de gedraging ontkent en ten onrechte niet is staande gehouden. De ambtenaar heeft als reden voor het afzien van een staandehouding kortgezegd opgegeven: 'onopvallend voertuig zonder stop- en volgtekens'. De ambtenaar heeft echter verklaard dat hij naast de betrokkene reed en oogcontact heeft gemaakt, zodat hij de betrokkene ook had kunnen staande houden. Het ontbreken van stopmiddelen is in dit verband daarom niet voldoende om aan te nemen dat er geen reële mogelijkheid bestond tot staandehouding.
3. De verklaring van de ambtenaar in het zaakoverzicht houdt onder meer het volgende in:"Ik (…) zag dat de bestuurder (…) een mobiele telefoon vasthield in zijn linkerhand. Ik zag dat de telefoon gehouden werd ter hoogte van het raam aan de bestuurdersportier. Ik zag dat de man zijn hoofd gebogen had en keek in de richting van de mobiele telefoon. Ik reed naast het betrokken voertuig en had direct en onbelemmerd zicht in het voertuig. Ik zag dat de man keek in mijn richting.”
4. Het hof ziet in de enkele ontkenning van de gedraging geen reden om te twijfelen aan de verklaring van de ambtenaar, dat hij heeft waargenomen dat de betrokkene tijdens het rijden een mobiele telefoon vasthield. Gelet hierop kan worden vastgesteld dat de gedraging is verricht.
5. Uit artikel 5 van de Wahv volgt het uitgangspunt dat wanneer een gedraging wordt geconstateerd, de ambtenaar de bestuurder staande houdt en zijn identiteit vaststelt, zodat hem een sanctie kan worden opgelegd. Slechts wanneer er geen reële mogelijkheid is geweest om de identiteit van de bestuurder aanstonds vast te stellen, mag de sanctie aan de kentekenhouder worden opgelegd.
6. Uit de omstandigheid dat de ambtenaar in een onopvallend politievoertuig reed dat niet was uitgerust met stopmiddelen, blijkt in beginsel afdoende dat er geen reële mogelijkheid tot staandehouding was. Anders dan de gemachtigde stelt, volgt uit de verklaring niet dat de ambtenaar oogcontact had met de betrokkene maar slechts dat de betrokkene in zijn richting keek. Naar het oordeel van het hof bestaat er dan ook geen aanleiding om er aan te twijfelen dat de ambtenaar geen mogelijkheid zag om de betrokkene staande te houden. Hierbij wordt in aanmerking genomen dat de gedraging is verricht op een autosnelweg. Van een ambtenaar kan niet worden verwacht dat hij rijdend op een autosnelweg in een onopvallend voertuig zonder stop- en volgtekens de aandacht van een bestuurder op een andere manier probeert te trekken. In dit geval mocht de ambtenaar dan ook volstaan met het bekeuren op kenteken.
7. Verder richt het hoger beroep zich tegen de beslissing van de kantonrechter op het verzoek om een proceskostenvergoeding. De gemachtigde van de betrokkene voert aan dat de kantonrechter ten onrechte de wegingsfactor 0,25 heeft gebruikt bij de toekenning van de proceskostenvergoeding.
8. De kantonrechter heeft het bedrag van de sanctie gematigd tot € 262,50 omdat de redelijke termijn van berechting in eerste aanleg is overschreden en heeft bij het toekennen van een proceskostenvergoeding de wegingsfactor 0,25 (gewicht van de zaak = zeer licht) toegepast. De kantonrechter heeft hiertoe -kort samengevat- overwogen een nieuw uitgangspunt te hanteren bij de toepassing van de wegingsfactor in zaken waarin het beroep uitsluitend vanwege overschrijding van de redelijke termijn van berechting gegrond wordt verklaard en het bedrag van de sanctie alleen daarom wordt gematigd.
9. Het hof oordeelt dat de bestreden beslissing op dit punt niet in stand kan blijven en verwijst daartoe naar het arrest van het hof van 21 januari 2025 (ECLI:NL:GHARL:2025:253). Dit brengt mee dat de beslissing van de kantonrechter, voor zover deze betrekking heeft op de toegekende proceskostenvergoeding, moet worden vernietigd. Het hof zal doen wat de kantonrechter had behoren te doen en aldus de juiste wegingsfactor toepassen. Aan het indienen van het beroepschrift bij de kantonrechter en het verschijnen ter zitting dienen twee punten te worden toegekend. De waarde per punt bedraagt € 907,-. Gelet op de aard van de zaak wordt de wegingsfactor 0,5 (gewicht van de zaak = licht) toegepast. Het hof zal de advocaat-generaal aldus veroordelen voor de in beroep bij de kantonrechter gemaakt proceskosten tot een bedrag van € 907,- (= 2 x € 907,- x 0,5).
10. De proceskosten in hoger beroep komen ook voor vergoeding in aanmerking. Aan het indienen van het hoger beroepschrift dient één punt te worden toegekend. De waarde per punt bedraagt € 907,-. Omdat de betrokkene in hoger beroep alleen in het gelijk wordt gesteld ten aanzien van de proceskostenvergoeding, wordt de wegingsfactor 0,25 (gewicht van de zaak = zeer licht) toegepast. Nu de beslissing van de kantonrechter na 31 december 2023 bekend is gemaakt en gelet op het bepaalde in het arrest van het hof van 11 september 2025 (ECLI:NL:GHARL:2025:5551), past het hof op de in hoger beroep verrichte proceshandeling de factor, genoemd in artikel 13a, tweede lid, aanhef en onder b van de Wahv (nieuw) toe. Het hof zal de advocaat-generaal veroordelen voor de in hoger beroep gemaakte proceskosten tot een bedrag van € 22,68 (= 1 x € 907,- x 0,25 x 0,1).
11. De totale vergoeding voor de gemaakte kosten bedraagt aldus € 929,68 (€ 907,- + € 22,68).
Dictum
Het gerechtshof:
vernietigt de beslissing van de kantonrechter, voor zover daarbij is beslist op het verzoek om een proceskostenvergoeding;
veroordeelt de advocaat-generaal tot het vergoeden van de proceskosten van de betrokkene tot een bedrag van € 929,68;
bevestigt de beslissing van de kantonrechter voor het overige.
Dit arrest is gewezen door mr. Wijma, in tegenwoordigheid van mr. Verstraaten als griffier, en op een openbare zitting uitgesproken.