Rechtspraak
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
2025-09-24
ECLI:NL:GHARL:2025:5862
Bestuursrecht; Bestuursstrafrecht, Strafrecht; Strafprocesrecht
Hoger beroep
2,145 tokens
Inleiding
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
zittingsplaats Leeuwarden
Zaaknummer
: Wahv 200.353.967/01
CJIB-nummer
: 255845211
Uitspraak d.d.
: 24 september 2025
Arrest op het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank OostBrabant van 25 februari 2025, betreffende
[de betrokkene] (hierna: de betrokkene),
wonende te [woonplaats] .
De gemachtigde van de betrokkene is mr. N.G.A. Voorbach, kantoorhoudende te Zoetermeer.
Dictum
De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie ongegrond verklaard en het verzoek om een proceskostenvergoeding afgewezen.
Het verloop van de procedure
De gemachtigde van de betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter. Er is gevraagd om een proceskostenvergoeding.
De advocaat-generaal heeft een verweerschrift ingediend.
De gemachtigde van de betrokkene heeft de gelegenheid gekregen het beroep schriftelijk nader toe te lichten. Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt.
Beoordeling
1. Aan de betrokkene is als kentekenhouder een sanctie opgelegd van € 250,- voor: “doorgaan bij een driekleurig verkeerslicht (stoplicht) dat op rood staat”. Deze gedraging zou zijn verricht op 8 februari 2023 om 06.40 uur op de Heihoeksingel in [woonplaats] met het voertuig met het kenteken [kenteken] .
2. De gemachtigde van de betrokkene betwist de gedraging. Deze enkele ontkenning leidt niet tot twijfel aan de gegevens in het dossier op basis waarvan de gedraging kan worden vastgesteld.
3. Daarnaast voert de gemachtigde aan dat ten onrechte op kenteken is bekeurd omdat er een reële mogelijkheid tot staandehouding bestond. De ambtenaar heeft van staandehouding afgezien vanwege “privévoertuig”. De gemachtigde merkt op dat dit, zonder nadere context, geen toereikende reden is om niet staande te houden. Hierbij verwijst de gemachtigde naar twee arresten van dit hof. Verder merkt de gemachtigde op dat de ambtenaar nog achter de betrokkene is aangereden en zag dat hij voor een rood verkeerslicht stilstond. Het is onduidelijk waarom de ambtenaar toen niet heeft gepoogd de betrokkene staande te houden.
4. Uit artikel 5 van de Wahv volgt het uitgangspunt dat wanneer een gedraging wordt geconstateerd, de ambtenaar de bestuurder staande houdt en zijn identiteit vaststelt, zodat hem een sanctie kan worden opgelegd. Slechts wanneer er geen reële mogelijkheid is geweest om de identiteit van de bestuurder aanstonds vast te stellen, mag de sanctie aan de kentekenhouder worden opgelegd.
5. In het zaakoverzicht staat vermeld dat de ambtenaar niet de mogelijkheid had de bestuurder van het voertuig van de betrokkene staande te houden, omdat hij alleen in zijn privévoertuig onderweg naar huis was en geen stopteken kon geven.
6. Uit de verklaring van de ambtenaar volgt dat hij niet alleen - naar het hof aanneemt - in privétijd was, maar ook dat hij in een privévoertuig reed. Dit laatste houdt doorgaans in dat middelen tot staandehouding, zoals een stoptransparant niet voorhanden zijn. Dat dit in dit geval anders is en er geen deugdelijke reden was om af te zien van staandehouding van de bestuurder, is niet gebleken. De arresten waarnaar de gemachtigde verwijst zien niet op een vergelijkbare situatie, aangezien in die zaken niet is gebleken dat de ambtenaar in een privévoertuig reed. De sanctie is daarom terecht met toepassing van artikel 5 van de Wahv aan de betrokkene als kentekenhouder opgelegd.
7. Tot slot voert de gemachtigde aan dat de redelijke termijn van berechting in eerste aanleg is overschreden. Hij voert aan dat de betrokkene al op 22 februari 2023 bekend was met de sanctie, terwijl de beslissing van de kantonrechter dateert van 25 februari 2025.
8. Van schending van de redelijke termijn van berechting is sprake wanneer de procedure in eerste aanleg - inclusief het administratief beroep - langer dan twee jaar heeft geduurd. Deze termijn vangt aan op het moment dat vanwege het bestuursorgaan jegens de beboete persoon een handeling is verricht waaraan deze in redelijkheid de verwachting kan ontlenen dat hem een boete zal worden opgelegd. In Wahv-zaken wordt de dagtekening van de inleidende beschikking als aanvangsdatum gehanteerd of, wanneer er staande is gehouden, dat moment.
9. In het zaakoverzicht staat dat de inleidende beschikking op 25 februari 2023 aan de betrokkene is toegestuurd. De gemachtigde merkt op dat de inleidende beschikking eerder door de betrokkene is ontvangen, namelijk op 22 februari 2023. Nu uit de stukken volgt dat het administratief beroep op 22 februari 2023 door de gemachtigde is ingesteld, is naar het oordeel van het hof aannemelijk dat de inleidende beschikking ook op 22 februari 2023 door de betrokkene is ontvangen. Het hof merkt hierbij op dat bij het verzenden van inleidende beschikkingen door het CJIB sprake is van postdateren. In dit geval gaat het hof daarom niet uit van de dagtekening van de inleidende beschikking als aanvangsdatum voor de redelijke termijn van berechting, maar van de (eerdere) datum waarop deze daadwerkelijk door de betrokkene is ontvangen.
10. Het voorgaande brengt mee dat de redelijke termijn van berechting in eerste aanleg is overschreden. Gelet hierop zal het hof het bedrag van de sanctie matigen met 25 procent. Dit brengt mee dat de beslissing van de kantonrechter niet in stand kan blijven.
11. De proceskosten gemaakt in de fase waarin de redelijke termijn van berechting is overschreden komen voor vergoeding in aanmerking. Aan het indienen van het beroepschrift bij de kantonrechter dient in totaal één punt te worden toegekend. De waarde per punt bedraagt voor het beroep € 907,-. Gelet op de aard van de zaak wordt de wegingsfactor 0,5 (gewicht van de zaak = licht) toegepast. Omdat de beslissing van de officier van justitie is bekendgemaakt voor 31 december 2023, past het hof op deze proceshandeling niet de factor, genoemd in artikel 13a, tweede lid, van de Wahv (nieuw) toe.
12. De proceskosten in hoger beroep komen eveneens voor vergoeding in aanmerking. Aan het indienen van het hoger beroepschrift wordt één punt toegekend. De waarde per punt bedraagt voor het hoger beroep € 907,-. Gelet op de aard van de zaak wordt de wegingsfactor 0,5 (gewicht van de zaak = licht) toegepast. Nu de beslissing van de kantonrechter na 31 december 2023 is bekendgemaakt en gelet op het bepaalde in het arrest van dit hof van 11 september 2025 (ECLI:NL:GHARL:2025:5551), wordt het bedrag van de in hoger beroep gemaakte kosten op grond van artikel 13a, tweede lid, aanhef en onder a, van de Wahv vermenigvuldigd met factor 0,25.
13. Aldus zal het hof de advocaat-generaal veroordelen in de kosten tot een bedrag van € 566,88 (= (1 x € 907,- x 0,5) + (1 x € 907,- x 0,5 x 0,25)).
Dictum
Het gerechtshof:
vernietigt de beslissing van de kantonrechter;
verklaart het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie gegrond en vernietigt die beslissing;
verklaart het beroep tegen de inleidende beschikking gedeeltelijk gegrond en wijzigt de inleidende beschikking, in zoverre dat het bedrag van de sanctie wordt gewijzigd in € 187,50;
bepaalt dat als de betrokkene op grond van artikel 11 van de Wahv teveel zekerheid heeft gesteld, het meerdere door de advocaat-generaal wordt gerestitueerd;
veroordeelt de advocaat-generaal tot het vergoeden van de proceskosten van de betrokkene tot een bedrag van € 566,88.
Dit arrest is gewezen door mr. Wijma, in tegenwoordigheid van Swart als griffier, en op een openbare zitting uitgesproken.
ECLI:NL:GHARL:2020:8838 en ECLI:NL:GHARL:2020:6601
Zie het arrest van dit hof van 29 oktober 2020, ECLI:NL:GHARL:2020:8844
Zie het arrest van dit hof van 28 juli 2023, ECLI:NL:GHARL:2023:6369
Zie ov. 26 van voormeld arrest van dit hof van 28 juli 2023