Rechtspraak
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
2025-10-16
ECLI:NL:GHARL:2025:6404
Bestuursrecht; Bestuursstrafrecht, Strafrecht; Strafprocesrecht
Hoger beroep
1,594 tokens
Inleiding
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
zittingsplaats Leeuwarden
Zaaknummer
: Wahv 200.352.952/01
CJIB-nummer
: 257649359
Uitspraak d.d.
: 16 oktober 2025
Arrest op het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank Den Haag van 31 januari 2025, betreffende
[de betrokkene] (hierna: de betrokkene),
wonende te [woonplaats] .
De gemachtigde van de betrokkene is mr. N.G.A. Voorbach, kantoorhoudende te Zoetermeer.
Dictum
De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie deels gegrond verklaard, de beslissing van de officier van justitie en de inleidende beschikking gewijzigd in die zin dat als feitcode en omschrijving van de gedraging worden vermeld: “R619” en “andere richting volgen dan richting van voorsorteervak”, met eenzelfde sanctiebedrag, alsmede het beroep voor het overige ongegrond verklaard. Het verzoek om een proceskostenvergoeding is afgewezen.
Het verloop van de procedure
De gemachtigde van de betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter. Er is gevraagd om een proceskostenvergoeding.
De advocaat-generaal heeft de gelegenheid gekregen een verweerschrift in te dienen. Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt.
Beoordeling
1. Aan de betrokkene is bij inleidende beschikking een sanctie opgelegd van € 280,- voor: “R619a - als bestuurder na verlaten doorgaande rijbaan een andere richting volgen dan de uitrijstrook”. Deze gedraging zou zijn verricht op 5 mei 2023 om 15.40 uur op de Loosduinseweg in 's-Gravenhage met het voertuig met het kenteken [kenteken] .
2. De kantonrechter heeft de inleidende beschikking gewijzigd, in zoverre dat de feitcode en de bijhorende omschrijving van de gedraging zijn gewijzigd in: “R619 - andere richting volgen dan richting van voorsorteervak”. Het sanctiebedrag is niet gewijzigd. De kantonrechter heeft voorts in dit verband ten aanzien van het verzoek om een proceskostenvergoeding geoordeeld dat dit verzoek moet worden afgewezen, nu voor matiging van het sanctiebedrag geen reden is, omdat de wijziging van de feitcode geen materiële wijziging betreft en het beroep overigens ongegrond is.
3. De gemachtigde van de betrokkene stelt zich, onder verwijzing naar het arrest van het hof van 28 april 2020, ECLI:NL:GHARL:2020:3336, op het standpunt dat de proceskosten voor vergoeding in aanmerking komen, omdat de feitcode is gewijzigd.
4. De kantonrechter heeft de inleidende beschikking gewijzigd voor wat betreft de omschrijving van de gedraging en de feitcode. De kantonrechter heeft de betrokkene aldus (gedeeltelijk) in het gelijkgesteld. In een dergelijk geval zijn door de betrokkene terecht rechtsmiddelen aangewend in de procedure waaraan de sanctiebeschikking ten grondslag ligt zodat in de regel een rechtens te respecteren belang bestaat bij vergoeding van de redelijkerwijs gemaakte proceskosten (vgl. voornoemd arrest van het hof van 28 april 2020). Nu de betrokkene (gedeeltelijk) in het gelijk is gesteld en derhalve aanleiding bestaat voor het toekennen van een proceskostenvergoeding, is het verzoek om een proceskostenvergoeding ten onrechte afgewezen. De aangevoerde grond slaagt.
5. Het hof zal, gelet op het voorgaande, de beslissing van de kantonrechter voor zover aan het hoger beroep onderworpen, namelijk voor zover daarbij het verzoek om een proceskostenvergoeding is afgewezen, vernietigen en doen hetgeen de kantonrechter zou behoren te doen, namelijk een proceskostenvergoeding toekennen.
6. De grond die heeft geleid tot wijziging van de inleidende beschikking voor wat betreft de feitcode en de omschrijving van de gedraging heeft de gemachtigde eerst in de procedure bij de kantonrechter aangevoerd. De gemachtigde had deze grond kunnen aanvoeren in administratief beroep, maar heeft dat niet gedaan (vgl. het arrest van het hof van 11 juli 2024, ECLI:NL:GHARL:2024:4621). Het hof ziet daarin aanleiding om geen vergoeding toe te kennen voor de in administratief beroep gemaakte proceskosten. Aan het beroepschrift bij de kantonrechter en het verschijnen ter zitting van de kantonrechter dienen in totaal twee punten te worden toegekend. De waarde per punt bedraagt voor het (hoger) beroep € 907,-. Gelet op de aard van de zaak wordt de wegingsfactor 0,5 (gewicht van de zaak = licht) toegepast. Naar het oordeel van het hof bestaat in casu eveneens aanleiding voor het toekennen van een proceskostenvergoeding in hoger beroep. De gemachtigde heeft het rechtsmiddel van hoger beroep moeten aanwenden om een proceskostenvergoeding vastgesteld te krijgen. Aan het indienen van het hoger beroepschrift dient één punt te worden toegekend. In de fase van het hoger beroep, waarin de betrokkene slechts in het gelijk wordt gesteld voor wat betreft de proceskostenvergoeding, wordt de wegingsfactor 0,25 (gewicht van de zaak = zeer licht) toegepast. Omdat de beslissing van de kantonrechter na 31 december 2023 is bekendgemaakt, in ogenschouw nemend het arrest van het hof van 11 september 2025, ECLI:NL:GHARL:2025:5551, wordt het bedrag van de in hoger beroep gemaakte kosten op grond van artikel 13a, tweede lid, aanhef en onder b, van de Wahv vermenigvuldigd met factor 0,1. Aldus zal het hof de advocaat-generaal veroordelen in de kosten tot een bedrag van € 929,68 (= (2 x € 907,- x 0,5) + (1 x € 907,- x 0,25 x 0,1)).
Dictum
Het gerechtshof:
vernietigt de beslissing van de kantonrechter, voor zover daarbij het verzoek om een proceskostenvergoeding is afgewezen;
veroordeelt de advocaat-generaal tot het vergoeden van de proceskosten van de betrokkene tot een bedrag van € 929,68.
Dit arrest is gewezen door mr. Wijma, in tegenwoordigheid van mr. Koldenhof-ten Kate als griffier, en op een openbare zitting uitgesproken.