Rechtspraak
Centrale Raad van Beroep
2021-11-25
ECLI:NL:CRVB:2021:2941
Bestuursrecht; Ambtenarenrecht
Hoger beroep
4,558 tokens
Inleiding
203867 AW
Datum uitspraak: 25 november 2021
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van
1 oktober 2020, 19/3897 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
de Staatssecretaris van Financiën (staatssecretaris)
Procesverloop
Appellant heeft hoger beroep ingesteld.
Appellant heeft nadere stukken ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 oktober 2021. Appellant is verschenen. De staatssecretaris heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. B.J.M. Oenema.
Overwegingen
1.1.
Met ingang van 1 januari 2020 is de Ambtenarenwet gewijzigd en Ambtenarenwet 2017
(AW 2017) gaan heten. Op grond van artikel 16, tweede lid, van de AW 2017 blijft op besluiten of handelingen die vóór 1 januari 2020 bekend zijn gemaakt, het toen geldende recht van toepassing wat betreft de mogelijkheid om bezwaar te maken of beroep in te stellen en wat betreft de behandeling van dat bezwaar of beroep.
1.2.
Appellant was werkzaam bij de Belastingdienst, laatstelijk als [functie] bij de
eenheid [eenheid] .
1.3.
Op 20 mei 2015 is de Investeringsagenda Belastingdienst gepresenteerd aan de Tweede Kamer, een programma dat gericht is op herinrichting van de Belastingdienst en dat tot gevolg heeft dat naar verwachting ongeveer 5.000 functies komen te vervallen. Op 23 november 2015 heeft de Directeur-Generaal van de Belastingdienst in het Georganiseerd Overleg Belastingdienst (GOBD) een voorstel gedaan voor vrijwillige mobiliteit en een uitwerking voorgesteld van het rijksbrede Van Werk Naar Werk-beleid. In verband met de uitwerking van dat programma zijn vanaf 24 november 2015 op het Intranet van de Belastingdienst berichten geplaatst waarin de medewerkers worden geïnformeerd over de stand van zaken met betrekking tot in te voeren stimuleringsmaatregelen ten behoeve van de vrijwillige uitstroom van medewerkers. Op 14 januari 2016 zijn in het GOBD de laatste afspraken over die stimuleringsmaatregelen gemaakt. Overeengekomen is dat medewerkers van de Belastingdienst afspraken kunnen maken over vrijwillige uitstroom onder toekenning van een stimuleringspremie, uitgesplitst in de varianten A en B.
1.4.
Appellant heeft kenbaar gemaakt vrijwillig te willen uitstromen onder toekenning van een stimuleringspremie, variant B. De afspraken hierover zijn vastgelegd in een vaststellingsovereenkomst (VSO), die appellant en de directeur [naam] van de Belastingdienst hebben getekend op respectievelijk 15 en 28 september 2016. In de VSO is geregeld dat aan appellant op zijn verzoek met ingang van 30 september 2018 eervol ontslag wordt verleend op grond van artikel 94, eerste lid van het Algemeen Rijksambtenarenreglement (ARAR), onder toekenning van een stimuleringspremie van € 94.648,99 bruto. In de VSO is, voor zover hier van belang, het volgende vermeld:
Artikel 7 Eindafrekening
1. Binnen 2 maanden na de ontslagdatum zal de eindafrekening plaatsvinden ter zake van openstaand vakantiegeld, eindejaarsuitkering en openstaande declaraties of vorderingen. De ambtenaar ontvangt hiertoe binnen de genoemde termijn een specificatie. Niet opgenomen vakantie-uren worden uitbetaald conform het bepaalde in artikel 24, eerste lid ARAR. Teveel genoten vakantie-uren worden in rekening gebracht conform het bepaalde in artikel 24, tweede lid ARAR.
Artikel 13 Finale kwijting
Na uitvoering en/of voldoening van het vorenstaande zullen partijen jegens elkaar geen verdergaande verplichtingen hebben uit hoofde van het tussen hen bestaande dienstverband, de wijze van beëindiging daarvan, of uit welke andere hoofde dan ook behoudens de wettelijke en voortvloeiende uit deze overeenkomst. Partijen verlenen elkaar daarmee over en weer finale kwijting en verklaren dat zij, behoudens de nakoming van deze overeenkomst, niets meer van elkaar te vorderen hebben.
1.5.
Bij de salarisstrook van oktober 2018 heeft de staatssecretaris naast de stimuleringspremie een bedrag toegekend vanwege verrekening van vakantie-uren.
1.6.
Bij besluit van 8 mei 2019 (bestreden besluit) heeft de staatssecretaris het bezwaar van appellant tegen de waarde van de uit te betalen niet opgenomen vakantie-uren ongegrond verklaard.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.
3.1.
In hoger beroep heeft appellant allereerst aangevoerd dat de staatssecretaris niet alle op de zaak betrekking hebbende stukken heeft ingediend. Het is appellant bekend dat de staatssecretaris zijn kwestie heeft voorgelegd aan het ministerie van Binnenlandse Zaken (ministerie). Onder verwijzing naar de uitspraken van de Hoge Raad van 4 mei 2018 (ECLI:NL:HR:2018:672) en 23 mei 2014 (ECLI:NL:HR:2014:1182) stelt appellant dat de stukken van dat overleg alsnog dienen te worden overgelegd. Verder heeft appellant aangevoerd dat anders dan volgt uit artikel 7 van de VSO, de uurvergoeding van de niet genoten vakantie-uren vermeerderd moet worden met vakantietoeslag, eindejaarsuitkering en het werkgeversdeel van de pensioenpremie. Appellant is van mening dat artikel 24, eerste lid, van het ARAR, voor zover dat niet meer omvat dan het overeengekomen salaris, indruist tegen Richtlijn 2003/88/EG, van het Europees Parlement en de Raad van 4 november 2003 betreffende een aantal aspecten van de organisatie van de arbeidstijd (Richtlijn 2003/88) en deels onverbindend moet worden verklaard. Dat appellant een VSO heeft gesloten in het kader van de beëindiging van het dienstverband is hiervoor niet van belang. Appellant verwijst hiertoe naar rechtspraak van het Hof van Justitie van de EU (HvJ EU), onder meer het arrest van 6 november 2018, ECLI:EU:C:2018:871. Voorts levert de interpretatie van de staatssecretaris een ongeoorloofd onderscheid op in behandeling van personen die gewoon zijn ontslagen en personen bij wie de dienstbetrekking is beëindigd middels een VSO. Appellant verzoekt de Raad om over de kwestie prejudiciële vragen te stellen.
3.2.
De staatssecretaris heeft verzocht om bevestiging van de aangevallen uitspraak.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
Op de zaak betrekking hebbende stukken
4.1.
Hoewel de stukken van de beroepsprocedure er onvoldoende blijk van geven dat door de staatssecretaris en de rechtbank is ingegaan op het standpunt van appellant dat hij niet over het volledige procesdossier beschikt, is het de Raad niet gebleken dat het dossier incompleet is. In het verslag van de hoorzitting in bezwaar komt naar voren dat de voorzitter heeft uitgelegd dat de uitvoering van salarisverplichtingen van de werkgever is opgedragen aan Pdirekt. Voorts blijkt dat de voorzitter een uitdraai uit het rijksportaal heeft overgelegd waarin het door P-direkt uitgevoerde beleid wordt uitgelegd. Hieruit volgt niet dat er nog overleg zou volgen met het ministerie, en ook anderszins is daar niet van gebleken. De beroepsgrond slaagt niet.
Uitleg VSO
4.2.
Tussen partijen is in geschil of de op grond van de VSO aan appellant uitgekeerde uurvergoeding voor niet opgenomen vakantie-uren vermeerderd dient te worden met vakantietoeslag (8%), eindejaarsuitkering (8,3 %) en het werkgeversdeel van de pensioenpremie (16,3%).
4.3.
Volgens vaste rechtspraak (uitspraak van 13 oktober 2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BT8812) worden afspraken over de beëindiging van het ambtelijk dienstverband aangemerkt als een nadere regeling van de uitoefening van de aan het bestuursorgaan toekomende ontslagbevoegdheid. Aan zo'n ontslagregeling zijn partijen gebonden op grond van het beginsel van de rechtszekerheid, dat zowel voor het bestuursorgaan als voor de ambtenaar geldt. Dit kan anders zijn als sprake is van wilsgebreken of als zich zodanige bijzondere omstandigheden voordoen dat volledige nakoming van de afspraken niet of niet meer in redelijkheid kan worden verlangd.
Dictum
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door C.H. Bangma als voorzitter en J.T.H. Zimmerman en
M. Wolfrat als leden, in tegenwoordigheid van M. Stumpel als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 25 november 2021.
(getekend) C.H. Bangma
(getekend) M. Stumpel
Inleiding
203867 AW
Datum uitspraak: 25 november 2021
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van
1 oktober 2020, 19/3897 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
de Staatssecretaris van Financiën (staatssecretaris)
Procesverloop
Appellant heeft hoger beroep ingesteld.
Appellant heeft nadere stukken ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 oktober 2021. Appellant is verschenen. De staatssecretaris heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. B.J.M. Oenema.
Overwegingen
1.1.
Met ingang van 1 januari 2020 is de Ambtenarenwet gewijzigd en Ambtenarenwet 2017
(AW 2017) gaan heten. Op grond van artikel 16, tweede lid, van de AW 2017 blijft op besluiten of handelingen die vóór 1 januari 2020 bekend zijn gemaakt, het toen geldende recht van toepassing wat betreft de mogelijkheid om bezwaar te maken of beroep in te stellen en wat betreft de behandeling van dat bezwaar of beroep.
1.2.
Appellant was werkzaam bij de Belastingdienst, laatstelijk als [functie] bij de
eenheid [eenheid] .
1.3.
Op 20 mei 2015 is de Investeringsagenda Belastingdienst gepresenteerd aan de Tweede Kamer, een programma dat gericht is op herinrichting van de Belastingdienst en dat tot gevolg heeft dat naar verwachting ongeveer 5.000 functies komen te vervallen. Op 23 november 2015 heeft de Directeur-Generaal van de Belastingdienst in het Georganiseerd Overleg Belastingdienst (GOBD) een voorstel gedaan voor vrijwillige mobiliteit en een uitwerking voorgesteld van het rijksbrede Van Werk Naar Werk-beleid. In verband met de uitwerking van dat programma zijn vanaf 24 november 2015 op het Intranet van de Belastingdienst berichten geplaatst waarin de medewerkers worden geïnformeerd over de stand van zaken met betrekking tot in te voeren stimuleringsmaatregelen ten behoeve van de vrijwillige uitstroom van medewerkers. Op 14 januari 2016 zijn in het GOBD de laatste afspraken over die stimuleringsmaatregelen gemaakt. Overeengekomen is dat medewerkers van de Belastingdienst afspraken kunnen maken over vrijwillige uitstroom onder toekenning van een stimuleringspremie, uitgesplitst in de varianten A en B.
1.4.
Appellant heeft kenbaar gemaakt vrijwillig te willen uitstromen onder toekenning van een stimuleringspremie, variant B. De afspraken hierover zijn vastgelegd in een vaststellingsovereenkomst (VSO), die appellant en de directeur [naam] van de Belastingdienst hebben getekend op respectievelijk 15 en 28 september 2016. In de VSO is geregeld dat aan appellant op zijn verzoek met ingang van 30 september 2018 eervol ontslag wordt verleend op grond van artikel 94, eerste lid van het Algemeen Rijksambtenarenreglement (ARAR), onder toekenning van een stimuleringspremie van € 94.648,99 bruto. In de VSO is, voor zover hier van belang, het volgende vermeld:
Artikel 7 Eindafrekening
1. Binnen 2 maanden na de ontslagdatum zal de eindafrekening plaatsvinden ter zake van openstaand vakantiegeld, eindejaarsuitkering en openstaande declaraties of vorderingen. De ambtenaar ontvangt hiertoe binnen de genoemde termijn een specificatie. Niet opgenomen vakantie-uren worden uitbetaald conform het bepaalde in artikel 24, eerste lid ARAR. Teveel genoten vakantie-uren worden in rekening gebracht conform het bepaalde in artikel 24, tweede lid ARAR.
Artikel 13 Finale kwijting
Na uitvoering en/of voldoening van het vorenstaande zullen partijen jegens elkaar geen verdergaande verplichtingen hebben uit hoofde van het tussen hen bestaande dienstverband, de wijze van beëindiging daarvan, of uit welke andere hoofde dan ook behoudens de wettelijke en voortvloeiende uit deze overeenkomst. Partijen verlenen elkaar daarmee over en weer finale kwijting en verklaren dat zij, behoudens de nakoming van deze overeenkomst, niets meer van elkaar te vorderen hebben.
1.5.
Bij de salarisstrook van oktober 2018 heeft de staatssecretaris naast de stimuleringspremie een bedrag toegekend vanwege verrekening van vakantie-uren.
1.6.
Bij besluit van 8 mei 2019 (bestreden besluit) heeft de staatssecretaris het bezwaar van appellant tegen de waarde van de uit te betalen niet opgenomen vakantie-uren ongegrond verklaard.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.
3.1.
In hoger beroep heeft appellant allereerst aangevoerd dat de staatssecretaris niet alle op de zaak betrekking hebbende stukken heeft ingediend. Het is appellant bekend dat de staatssecretaris zijn kwestie heeft voorgelegd aan het ministerie van Binnenlandse Zaken (ministerie). Onder verwijzing naar de uitspraken van de Hoge Raad van 4 mei 2018 (ECLI:NL:HR:2018:672) en 23 mei 2014 (ECLI:NL:HR:2014:1182) stelt appellant dat de stukken van dat overleg alsnog dienen te worden overgelegd. Verder heeft appellant aangevoerd dat anders dan volgt uit artikel 7 van de VSO, de uurvergoeding van de niet genoten vakantie-uren vermeerderd moet worden met vakantietoeslag, eindejaarsuitkering en het werkgeversdeel van de pensioenpremie. Appellant is van mening dat artikel 24, eerste lid, van het ARAR, voor zover dat niet meer omvat dan het overeengekomen salaris, indruist tegen Richtlijn 2003/88/EG, van het Europees Parlement en de Raad van 4 november 2003 betreffende een aantal aspecten van de organisatie van de arbeidstijd (Richtlijn 2003/88) en deels onverbindend moet worden verklaard. Dat appellant een VSO heeft gesloten in het kader van de beëindiging van het dienstverband is hiervoor niet van belang. Appellant verwijst hiertoe naar rechtspraak van het Hof van Justitie van de EU (HvJ EU), onder meer het arrest van 6 november 2018, ECLI:EU:C:2018:871. Voorts levert de interpretatie van de staatssecretaris een ongeoorloofd onderscheid op in behandeling van personen die gewoon zijn ontslagen en personen bij wie de dienstbetrekking is beëindigd middels een VSO. Appellant verzoekt de Raad om over de kwestie prejudiciële vragen te stellen.
3.2.
De staatssecretaris heeft verzocht om bevestiging van de aangevallen uitspraak.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
Op de zaak betrekking hebbende stukken
4.1.
Hoewel de stukken van de beroepsprocedure er onvoldoende blijk van geven dat door de staatssecretaris en de rechtbank is ingegaan op het standpunt van appellant dat hij niet over het volledige procesdossier beschikt, is het de Raad niet gebleken dat het dossier incompleet is. In het verslag van de hoorzitting in bezwaar komt naar voren dat de voorzitter heeft uitgelegd dat de uitvoering van salarisverplichtingen van de werkgever is opgedragen aan Pdirekt. Voorts blijkt dat de voorzitter een uitdraai uit het rijksportaal heeft overgelegd waarin het door P-direkt uitgevoerde beleid wordt uitgelegd. Hieruit volgt niet dat er nog overleg zou volgen met het ministerie, en ook anderszins is daar niet van gebleken. De beroepsgrond slaagt niet.
Uitleg VSO
4.2.
Tussen partijen is in geschil of de op grond van de VSO aan appellant uitgekeerde uurvergoeding voor niet opgenomen vakantie-uren vermeerderd dient te worden met vakantietoeslag (8%), eindejaarsuitkering (8,3 %) en het werkgeversdeel van de pensioenpremie (16,3%).
4.3.
Volgens vaste rechtspraak (uitspraak van 13 oktober 2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BT8812) worden afspraken over de beëindiging van het ambtelijk dienstverband aangemerkt als een nadere regeling van de uitoefening van de aan het bestuursorgaan toekomende ontslagbevoegdheid. Aan zo'n ontslagregeling zijn partijen gebonden op grond van het beginsel van de rechtszekerheid, dat zowel voor het bestuursorgaan als voor de ambtenaar geldt. Dit kan anders zijn als sprake is van wilsgebreken of als zich zodanige bijzondere omstandigheden voordoen dat volledige nakoming van de afspraken niet of niet meer in redelijkheid kan worden verlangd.
Dictum
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door C.H. Bangma als voorzitter en J.T.H. Zimmerman en
M. Wolfrat als leden, in tegenwoordigheid van M. Stumpel als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 25 november 2021.
(getekend) C.H. Bangma
(getekend) M. Stumpel