Rechtspraak
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
2020-11-03
ECLI:NL:GHARL:2020:9074
Bestuursrecht; Belastingrecht
Hoger beroep
4,755 tokens
Inleiding
GERECHTSHOF ARNHEM - LEEUWARDEN
locatie Arnhem
nummer 19/01120
uitspraakdatum: 3 november 2020
Tussenuitspraak van de vierde meervoudige belastingkamer
in het hoger beroep van
[X] te [Z] (hierna: belanghebbende)
tegen de uitspraak van rechtbank Gelderland van 9 juli 2019, nummer AWB 18/1548, in het geding tussen belanghebbende en
de inspecteur van de Belastingdienst (hierna: de Inspecteur)
1Ontstaan en loop van het geding
1.1.
De Inspecteur heeft op de voet van artikel 52a van de Algemene wet inzake rijkbelastingen (hierna: AWR) ten aanzien van belanghebbende met dagtekening 16 november 2016 een informatiebeschikking vastgesteld.
1.2.
Het tegen deze beschikking door belanghebbende gemaakte bezwaar is door de Inspecteur bij uitspraak op bezwaar ongegrond verklaard.
1.3.
Belanghebbende heeft tegen die uitspraak beroep ingesteld bij de rechtbank Gelderland (hierna: de Rechtbank). De Rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.
1.4.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.
1.5.
Het (eerste) onderzoek ter zitting in hoger beroep heeft plaatsgevonden op 5 oktober 2020 te Arnhem. Aldaar zijn verschenen en gehoord: mr. [A] als de gemachtigde van belanghebbende, bijgestaan door [B] alsmede – namens de Inspecteur – mr. [C] en [D] .
2De vaststaande feiten
2.1.
Op 23 juli 2015 heeft de Belastingdienst in het kader van een groepsverzoek informatie opgevraagd bij de Zwitserse fiscale autoriteiten over rekeninghouders bij de Zwitserse bank [E] . In december 2016 heeft de Belastingdienst deze informatie op een usb-stick ontvangen van de Zwitserse autoriteiten.
2.2.
Op een van de bestanden op de usb-stick is de naam [X] vermeld, geboren [in] 1954, wonende te [Z] en houder van een rekening met nummer [00000] . Het saldo op deze rekening bedroeg op 1 februari 2013 CHF 185.815 en op 1 januari 2014 CHF 197.083.
2.3.
De Inspecteur heeft naar aanleiding van deze informatie belanghebbende op de voet van artikel 47 AWR verzocht informatie te verstrekken over deze bankrekening. Belanghebbende heeft geen gevolg gegeven aan dit verzoek.
2.4.
Daarom heeft de Inspecteur met dagtekening 16 november 2016 de onderhavige, met betrekking tot op te leggen belastingaanslagen IB/PVV over de jaren 2003 tot en met 2014, informatiebeschikking aan belanghebbende gegeven. Tegen deze informatiebeschikking heeft belanghebbende vergeefs bezwaar aangetekend.
2.5.
Het door belanghebbende tegen de uitspraak op bezwaar ingestelde beroep is door de Rechtbank ongegrond verklaard.
2.6.
Belanghebbende heeft tegen die uitspraak hoger beroep ingesteld. De Inspecteur heeft in hoger beroep onder meer een uit 89 pagina’s bestaand memo ‘Aandachtspunten projecten Verhuld Vermogen’ overgelegd (versie 7 van 14 februari 2020; hierna: memo Verhuld Vermogen). Daarin zijn met een beroep op artikel 8:29 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) verschillende passages ‘geschoond’. Aan het Hof heeft de Inspecteur ook een ‘ongeschoonde’ versie van het memo Verhuld Vermogen verstrekt. Die versie is niet aan belanghebbende verstrekt.
Geschil
In hoger beroep is in geschil of de onderhavige informatiebeschikking terecht is vastgesteld. Partijen houdt onder meer verdeeld of: (1) door de Inspecteur alle op de zaak betrekking hebbende stukken zijn overgelegd en (2) of gewichtige redenen bestaan die een beperkte kennisneming van het memo Verhuld Vermogen rechtvaardigen. Het Hof zal in deze tussenuitspraak die twee vragen beantwoorden.
Overwegingen
Op de zaak betrekking hebbende stukken; juridisch kader
4.1.
Op grond van artikel 8:42, eerste lid, Awb is een inspecteur gehouden de op de zaak betrekking hebbende stukken aan de belastingrechter te zenden.
4.2.
Artikel 8:42, eerste lid, Awb strekt ertoe dat de gegevens die van belang zijn voor de beoordeling van het in (hoger) beroep bestreden besluit van de inspecteur aan de rechter – en de wederpartij – beschikbaar worden gesteld. De in die bepaling neergelegde verplichting heeft ten doel te waarborgen dat een geschil over een door de inspecteur genomen besluit wordt beslecht op basis van alle relevante feitelijke gegevens die aan de inspecteur ter beschikking staan, zodat de belanghebbende zich daarover kan uitlaten en de rechter daarmee bij zijn beoordeling rekening kan houden (HR 4 mei 2018, nr. 16/04237, ECLI:NL:HR:2018:672).
4.3.
Met op de zaak betrekking hebbende stukken die de inspecteur op grond van artikel 8:42 Awb dient over te leggen, is gedoeld op alle stukken die de inspecteur ter beschikking hebben gestaan en die van belang kunnen zijn bij de beslechting van de (nog) bestaande geschilpunten. Hiertoe behoren derhalve ook stukken die bij diens besluitvorming een rol hebben gespeeld maar die door hem uiteindelijk niet zijn gebruikt ter onderbouwing c.q. motivering van zijn beslissing (HR 4 mei 2018, nr. 16/04237, ECLI:NL:HR:2018:672). Deze verplichting geldt ook indien het desbetreffende stuk is opgesteld door een ambtenaar die behoort tot een ander organisatieonderdeel van de Belastingdienst en (in beginsel) evenzeer indien de inspecteur inmiddels niet meer beschikt over het desbetreffende stuk. De verplichting voor de inspecteur stukken op grond van artikel 8:42 Awb over te leggen, is niet afhankelijk van de vraag of belanghebbende enig (positief of negatief) belang heeft bij die stukken (HR 23 mei 2014, nr. 12/01827, ECLI:NL:HR:2014:1182).
4.4.
De omstandigheid dat een belanghebbende zelf beschikt over (een afschrift van) een stuk dat van belang kan zijn voor de besluitvorming in een zaak, brengt niet mee dat de inspecteur is ontslagen van de verplichting (een afschrift van) dat stuk als een op de zaak betrekking hebbend stuk over te leggen (HR 20 maart 2009, nr. 42.232, ECLI:NL:HR:2009:BH6420 en HR 17 augustus 2018, nr. 17/00879, ECLI:NL:HR:2018:1319).
4.5.
Tot de door de inspecteur over te leggen stukken behoren niet stukken die zich bevinden onder derden (bijvoorbeeld het OM) en die niet aan hem zijn verstrekt, ook al is hij bekend met het bestaan daarvan (HR 12 juli 2013, nr. 11/04625, ECLI:NL:HR:2013:29).
4.6.
Een redelijke, met de hiervoor in 4.2 omschreven strekking van artikel 8:42, eerste lid, Awb strokende uitleg van die bepaling brengt mee dat de daarin opgenomen verplichting tot overlegging van stukken zich ook uitstrekt tot stukken die pas in de loop van het beroep of hoger beroep ter beschikking van de inspecteur zijn gekomen. Indien dergelijke stukken ter beschikking van de inspecteur komen na afloop van de in artikel 8:42 Awb bedoelde termijn, dient hij deze alsnog onverwijld aan de rechter toe te zenden (HR 4 mei 2018, nr. 16/04237, ECLI:NL:HR:2018:672).
4.7.
Behoudens gevallen van gerechtvaardigde weigering op grond van artikel 8:29 Awb en uitzonderingsgevallen als misbruik van procesrecht, dient te worden tegemoetgekomen aan een verzoek van de belanghebbende tot overlegging van een bepaald op de zaak betrekking hebbend stuk indien deze voldoende gemotiveerd heeft gesteld dat het stuk van enig belang kan zijn (geweest) voor de besluitvorming in zijn zaak (HR 25 april 2008, nr. 43.448, ECLI:NL:HR:2008:BA3823).
4.8.
Beoordeling
4.9.
Als een stuk passages bevat die op de zaak betrekking hebben, is dit stuk als geheel een op de zaak betrekking hebbend stuk. De verplichting om dit stuk over te leggen, ziet daardoor niet slechts op de voor de beoordeling van de zaak relevante passages (HR 4 mei 2018, nr. 16/04237, ECLI:NL:HR:2018:672).
Beoordeling
4.10.
Belanghebbende heeft in zijn hogerberoepschrift betoogd dat de Inspecteur heeft verzuimd alle op de zaak betrekking hebbende stukken in deze procedure over te leggen. Volgens belanghebbende ontbreken: (1) het ‘Memo Project Duitse Informatie ( [E] )’, (2) interne afstemmingstukken (waaronder e-mails) tussen ambtenaren van de Belastingdienst, (3) het memo ‘Governance programma vermogen in het Buitenland’, (4) het memo ‘Mediaberichtgeving [E] ’ op Connectpeople, (5) aan vta’s [Hof: vaktechnische aanspreekpunten] beschikbaar gestelde richtlijnen inzake het weigeren van een gemachtigde en (6) de ‘notitie 22’ waarin onder meer handvatten zijn opgenomen inzake de matiging van een boete bij een vaststellingsovereenkomst. Volgens belanghebbende zijn deze stukken van belang omdat daarmee gecontroleerd kan worden of de Inspecteur het interne beleid heeft nageleefd en of belanghebbende vertrouwen kan ontlenen aan dat beleid.
4.11.
Met betrekking tot het ‘Memo Project Duitse Informatie ( [E] )’ heeft de Inspecteur ter zitting desgevraagd verklaard dat hij omwille van praktische redenen zich niet langer verzet tegen de opvatting van belanghebbende dat sprake is van een op de zaak betrekking hebbend stuk. Hij zal het ‘Memo Project Duitse Informatie ( [E] )’ alsnog als een op de zaak betrekking hebbend stuk overleggen. Dit zal echter, aldus de Inspecteur, met een beroep op artikel 8:29 Awb geschieden in ‘geschoonde’ vorm.
4.12.
Met betrekking tot de ‘interne afstemmingsstukken’ heeft belanghebbende gesteld dat bij hem de indruk bestaat dat er interne afstemmingsstukken zijn die door de Inspecteur zijn achtergehouden. De Inspecteur heeft daartegenover gesteld dat er, naast de in deze procedure overgelegde stukken, geen interne afstemmingsstukken zijn. Daarbij heeft de Inspecteur verwezen naar het bij de Rechtbank overgelegde logboek. Met zijn stelling heeft belanghebbende naar het oordeel van het Hof niet aan zijn stelplicht voldaan. De stelling van belanghebbende bevat immers onvoldoende motivering voor de conclusie dat de door hem bedoelde afstemmingstukken bestaan, laat staan dat zij op de zaak betrekking hebbende stukken zijn. Ten overvloede zij nog opgemerkt dat het Hof zelf geen aanknopingspunten heeft kunnen vinden voor de conclusie dat aannemelijk is geworden dat de door belanghebbende bedoelde afstemmingstukken bestaan.
4.13.
Met betrekking tot het memo ‘Governance programma vermogen in het Buitenland’ heeft belanghebbende gesteld dat dit memo ten onrechte door de Inspecteur is achtergehouden. De Inspecteur heeft daartegenover gesteld dat dit memo geen op de zaak betrekking hebbend stuk is in deze belastingprocedure inzake de informatiebeschikking. Het memo, dat overigens maar vier pagina’s telt, is opgesteld, aldus de Inspecteur, vanwege de nieuwe, sinds 2017 geldende Topstructuur bij de Belastingdienst. Er is sprake van een regeling van bevoegdheden van diverse segmenten binnen de Belastingdienst, aldus nog steeds de Inspecteur. Naar het oordeel van het Hof heeft belanghebbende volstrekt onvoldoende gemotiveerd gesteld waarom het genoemde memo in deze procedure inzake de informatiebeschikking een op de zaak betrekking hebbend stuk is. Het had op de weg van belanghebbende gelegen, te meer nu belanghebbende zelf – naar de Inspecteur onweersproken heeft gesteld – over het memo beschikt, om zijn stelling dat het memo ‘Governance programma vermogen in het Buitenland’ in deze procedure een op de zaak betrekking hebbend stuk is, nader te motiveren. Nu hij dat echter heeft nagelaten, moet worden geconcludeerd dat belanghebbende ook met betrekking tot dit memo niet aan zijn stelplicht heeft voldaan.
4.14.
Met betrekking tot, kort gezegd, het memo ‘Mediaberichtgeving [E] ’, de richtlijnen inzake het weigeren van een gemachtigde en de ‘notitie 22’, heeft belanghebbende - na daarover door het Hof te zijn bevraagd - ter zitting uitdrukkelijk en ondubbelzinnig verklaard dat hij zijn stelling dat deze stukken in deze procedure op de zaak betrekking hebbende stukken zijn, intrekt.
Beperkte kennisneming
4.15.
Partijen die verplicht zijn stukken over te leggen kunnen, indien daarvoor gewichtige redenen zijn, de bestuursrechter mededelen dat uitsluitend hij kennis zal mogen nemen van de stukken (artikel 8: 29, eerste lid, Awb; hierna: beperkte kennisneming).
4.16.
De Inspecteur heeft in hoger beroep het memo Verhuld Vermogen als een op de zaak betrekking hebbend stuk overgelegd. Daarin heeft hij verschillende passages ‘zwartgemaakt’ met een beroep op beperkte kennisneming als bedoeld in artikel 8:29, eerste lid, Awb. Volgens de Inspecteur rechtvaardigen gewichtige redenen de beperkte kennisneming van dat memo. Belanghebbende heeft zich hiertegen gemotiveerd verzet.
4.17.
Bij de beantwoording van de vraag of de Inspecteur zich met betrekking tot de ‘zwartgemaakte’ passages in het memo Verhuld vermogen terecht beroept op beperkte kennisneming, dient het volgende te worden vooropgesteld. Uitgangspunt in een bestuursrechtelijke procedure, en dus ook in een belastingprocedure, is dat beide partijen en de rechter onbeperkt kennis kunnen nemen van de op de zaak betrekking hebbende stukken. Daarop zijn evenwel uitzonderingen mogelijk (vgl. ook Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State 10 juni 2020, nr. 202001087/2/A3 en 202001097/2/A3, ECLI:NL:RVS:2020:1367, overweging 2).
4.18.
Bij de beoordeling van de vraag of op het uitgangspunt van onbeperkte kennisneming van alle stukken uit het dossier een inbreuk kan worden gemaakt, dient zeer grote terughoudendheid te worden betracht. Als regel geldt in dat verband dat slechts wanneer de door een inspecteur voor de beperkte kennisneming aangevoerde redenen aanzienlijk zwaarder wegen dan het belang van een belanghebbende bij onbeperkte kennisneming van de op de zaak betrekking hebbende stukken, sprake is van gewichtige redenen die beperkte kennisneming rechtvaardigen. Die regel behoeft in een geval als hier evenwel nuancering. Ook bij de beoordeling van een verzoek tot beperkte kennisneming mag niet uit het oog worden verloren welk(e) primair(e) besluit(en) in (hoger) beroep wordt (worden) aangevochten en waarop de rechtsstrijd van partijen betrekking heeft. De in artikel 8:42 Awb neergelegde verplichting tot het overleggen van de op de zaak betrekking hebbende stukken heeft immers ten doel te waarborgen dat een geschil over een door de inspecteur genomen besluit wordt beslecht op basis van alle relevante feitelijke gegevens die aan de inspecteur ter beschikking staan, zodat de belanghebbende zich daarover kan uitlaten en de rechter daarmee bij zijn beoordeling rekening kan houden (HR 4 mei 2018, nr. 16/04237, ECLI:NL:HR:2018:672). Wanneer het overgelegde, op de zaak betrekking hebbende stuk een individuele zaak overstijgend memo betreft, zoals hier, kunnen daarin passages voorkomen die geen enkel verband houden met het (de) door een belanghebbende in de belastingprocedure aangevochten besluit(en) en derhalve evenmin met de rechtsstrijd van partijen. Weliswaar vormt dat stuk als geheel een op de zaak betrekking hebbend stuk (HR 4 mei 2018, nr. 16/04237, ECLI:NL:HR:2018:672), maar bij de beoordeling van het verzoek om beperkte kennisneming legt het antwoord op de vraag of de desbetreffende ‘zwartgemaakte’ passages enig raakvlak hebben of kunnen hebben met het (de) in de (hoger)beroepsprocedure bestreden besluit(en) en de rechtsstrijd van partijen naar het oordeel van het Hof uiteraard een zwaar gewicht in de schaal van de belangenafweging. Bij een ontkennende beantwoording van die vraag, is de betekenis van de ‘zwartgemaakte’ passages van het stuk voor de rechter in de hoofdzaak en de procespositie van belanghebbende niet van belang. De belanghebbende aan wie die passages worden onthouden door de beperkte kennisneming wordt alsdan niet wezenlijk in zijn procesvoering belemmerd (vgl.
Conclusie
De slotsom van deze tussenbeslissing is als volgt.
De Inspecteur dient het ‘Memo Project Duitse Informatie ( [E] )’ als een op de zaak betrekking hebbend stuk over te leggen (zie overweging 4.11). Wanneer de Inspecteur daarbij een beroep doet op beperkte kennisneming, zal zowel een ‘geschoonde’ versie van dit memo als een ‘ongeschoonde’ versie ervan moeten worden overgelegd. De ‘geschoonde’ versie zal aan belanghebbende worden verstrekt, de ‘ongeschoonde’ versie niet. Het verzoek tot beperkte kennisneming van dit memo zal op een tweede zitting op 13 januari 2021 worden behandeld.
Met betrekking tot het memo Verhuld Vermogen is beperkte kennisneming als door de Inspecteur verzocht gerechtvaardigd, behoudens met betrekking tot de passages als vermeld in overweging 4.20. Met inachtneming daarvan dient de Inspecteur een nieuwe ‘geschoonde’ versie van het memo Verhuld vermogen aan het Hof over te leggen. Na ontvangst daarvan en doorzending aan belanghebbende, zal aan belanghebbende toestemming worden gevraagd als bedoeld in artikel 8:29, lid 5, Awb. Deze toestemming zal worden gevraagd nadat het Hof een beslissing heeft genomen over het verzoek tot beperkte kennisneming van het ‘Memo Project Duitse Informatie ( [E] )’. In het geval de beslissing van het Hof daartoe aanleiding geeft, zal het Hof aan belanghebbende immers wederom toestemming als bedoeld in artikel 8:29, lid 5, Awb moeten vragen. Bij het niet verlenen van bedoelde toestemming door belanghebbende zal de zaak naar een andere meervoudige kamer van het Hof worden verwezen ter verdere behandeling. Door toestemming voor (mogelijk) beide memo’s gelijktijdig te vragen beoogt het Hof de rechtsgang zo efficiënt mogelijk te laten verlopen.
Proceskosten
Een beslissing met betrekking tot de proceskosten zal worden genomen in de einduitspraak van deze procedure.
5Tussenbeslissing
Het Hof beslist als hiervóór onder ‘slotsom’ is vermeld en houdt iedere verdere beslissing aan.
Deze tussenuitspraak is gedaan door mr. R. den Ouden, voorzitter, mr. M.G.J.M. van Kempen en mr. I. Linssen, in tegenwoordigheid van mr. E.D. Postema als griffier.
De tussenbeslissing is op 3 november 2020 in het openbaar uitgesproken.
De griffier De voorzitter,
(E.D. Postema)
(R. den Ouden)
Afschriften zijn aangetekend per post verzonden op
Tegen deze tussenuitspraak staat geen rechtsmiddel open.