BWBV0005765
Geldig vanaf 27-03-1951
Artikel 20
Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland inzake onderling strijdige aanspraken op buiten Duitsland gelegen Duitse bezittingen
A. Geen der bepalingen van dit Verdrag zal een der Verdragsluitende Regeringen verplichten tot erkenning van:
(1) overdracht van of enige andere transactie met betrekking tot een vijandelijk Duits belang, welke heeft plaats gevonden na het treffen van noodmaatregelen voor oorlogstijd door die Regering of na de Duitse inval op haar grondgebied;
(2) overdracht van zich in Duitsland bevindende niet-vijandelijke vermogensbestanddelen aan vijandelijke Duitsers of een verkrijging door vijandelijke Duitsers van niet-vijanden van zeggenschap over zich in Duitsland bevindende vermogensbestanddelen, indien deze overdracht of verkrijging onder druk van de Duitse Regering zonder voldoende vergoeding vóór of na 1 September 1939 heeft plaats gehad. De bepalingen van deze subparagraaf zullen alleen toepasselijk zijn op vermogensbestanddelen, toebehorende aan — of beheerst door — niet-vijanden, die onderdanen van de Verdragsluitende Regeringen waren ten tijde van de overdracht der vermogensbestanddelen of van de verkrijging van de zeggenschap daarover.
B. Bij de beslissing, of een vermogensbestanddeel toebehoort aan — of wordt beheerst door — een vijandelijke Duitser, zal geen rekening worden gehouden met een overdracht aan of een andere transactie met een vijandelijke Duitser, welke volgens de bepalingen van de Inter-Geallieerde Verklaring inzake Berovingsdaden van 5 Januari 1943 het karakter hebben van roof of gedwongen eigendomsoverdracht.
(1) overdracht van of enige andere transactie met betrekking tot een vijandelijk Duits belang, welke heeft plaats gevonden na het treffen van noodmaatregelen voor oorlogstijd door die Regering of na de Duitse inval op haar grondgebied;
(2) overdracht van zich in Duitsland bevindende niet-vijandelijke vermogensbestanddelen aan vijandelijke Duitsers of een verkrijging door vijandelijke Duitsers van niet-vijanden van zeggenschap over zich in Duitsland bevindende vermogensbestanddelen, indien deze overdracht of verkrijging onder druk van de Duitse Regering zonder voldoende vergoeding vóór of na 1 September 1939 heeft plaats gehad. De bepalingen van deze subparagraaf zullen alleen toepasselijk zijn op vermogensbestanddelen, toebehorende aan — of beheerst door — niet-vijanden, die onderdanen van de Verdragsluitende Regeringen waren ten tijde van de overdracht der vermogensbestanddelen of van de verkrijging van de zeggenschap daarover.
B. Bij de beslissing, of een vermogensbestanddeel toebehoort aan — of wordt beheerst door — een vijandelijke Duitser, zal geen rekening worden gehouden met een overdracht aan of een andere transactie met een vijandelijke Duitser, welke volgens de bepalingen van de Inter-Geallieerde Verklaring inzake Berovingsdaden van 5 Januari 1943 het karakter hebben van roof of gedwongen eigendomsoverdracht.
- Citeren als
- Art. 20
- Geldig vanaf
- Status
- Geldend recht
- Identificatie
- BWBV0005765
- Officiële bron
- wetten.overheid.nl