BWBV0005765
Geldig vanaf 27-03-1951
Artikel 14
Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland inzake onderling strijdige aanspraken op buiten Duitsland gelegen Duitse bezittingen
De Verdragsluitende Regeringen erkennen dat het te gelde maken van vermogensbestanddelen door een der Regeringen aan de economische belangen van de andere Regering afbreuk kan doen en niet-vijandelijke belangen in de primaire onderneming kan schaden. Bijgevolg zal:
(1) met inachtneming van de hierna volgende artikelen 15 en 16 en
(2) behalve in uitzonderingsgevallen, waarin de vermogensbestanddelen bestaan uit een productieonderneming en de Regering van het secundaire land, niettegenstaande nauwgezette overweging van de economische belangen van het primaire land van oordeel is dat zijn nationale economische veiligheid het behouden van de desbetreffende vermogensbestanddelen vordert,
de Regering van het secundaire land, op verzoek van de Regering van het primaire land, de vermogensbestanddelen ten gunste van de primaire onderneming vrijgeven tegenover de toezegging van de Regering van het primaire land om aan de Regering van het secundaire land een som te betalen, welke beide Regeringen tevoren zijn overeengekomen als tegenwaarde van het vijandelijk Duits belang in de primaire onderneming of in de vermogensbestanddelen, zoals dit vijandelijk Duits belang in onderling overleg op de voet van artikel 12 is vastgesteld. Een zodanige betaling zal binnen 6 maanden na de datum van vrijgave der vermogensbestanddelen plaats vinden in de valuta van het secundaire land.
(1) met inachtneming van de hierna volgende artikelen 15 en 16 en
(2) behalve in uitzonderingsgevallen, waarin de vermogensbestanddelen bestaan uit een productieonderneming en de Regering van het secundaire land, niettegenstaande nauwgezette overweging van de economische belangen van het primaire land van oordeel is dat zijn nationale economische veiligheid het behouden van de desbetreffende vermogensbestanddelen vordert,
de Regering van het secundaire land, op verzoek van de Regering van het primaire land, de vermogensbestanddelen ten gunste van de primaire onderneming vrijgeven tegenover de toezegging van de Regering van het primaire land om aan de Regering van het secundaire land een som te betalen, welke beide Regeringen tevoren zijn overeengekomen als tegenwaarde van het vijandelijk Duits belang in de primaire onderneming of in de vermogensbestanddelen, zoals dit vijandelijk Duits belang in onderling overleg op de voet van artikel 12 is vastgesteld. Een zodanige betaling zal binnen 6 maanden na de datum van vrijgave der vermogensbestanddelen plaats vinden in de valuta van het secundaire land.
- Citeren als
- Art. 14
- Geldig vanaf
- Status
- Geldend recht
- Identificatie
- BWBV0005765
- Officiële bron
- wetten.overheid.nl