BWBV0001385
Geldig vanaf 01-06-1999
Artikel 9
Verdrag inzake de bevordering en de wederzijdse bescherming van investeringen tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek Kroatië
1. Geschillen die ontstaan tussen de ene Verdragsluitende Partij en een onderdaan van de andere Verdragsluitende Partij betreffende een verplichting van eerstbedoelde ingevolge dit Verdrag met betrekking tot een investering van laatstbedoelde, worden op verzoek van de desbetreffende onderdaan voorgelegd aan het Internationale Centrum voor Beslechting van Investeringsgeschillen ter beslechting door bemiddeling of arbitrage krachtens het Verdrag inzake de beslechting van geschillen met betrekking tot investeringen tussen Staten en onderdanen van andere Staten, dat op 18 maart 1965 te Washington D.C. werd opengesteld voor ondertekening.
2. Zolang de Republiek Kroatië niet als Verdragsluitende Staat is toegetreden tot het in het eerste lid van dit artikel genoemde Verdrag, worden de in dat lid bedoelde geschillen voorgelegd aan het Internationale Centrum voor Beslechting van Investeringsgeschillen overeenkomstig de regels betreffende de Aanvullende Voorziening voor de toepassing van procedures door het Secretariaat van het Centrum (Additional Facility of Rules).
3. Elke Verdragsluitende Partij stemt er bij dezen onvoorwaardelijk mee in de in het eerste lid van dit artikel bedoelde geschillen voor te leggen ter internationale arbitrage overeenkomstig de bepalingen van dit artikel.
4. Een rechtspersoon die onderdaan is van de ene Verdragsluitende Partij en die, voordat een dergelijk geschil ontstaat, onder toezicht staat van onderdanen van de andere Verdragsluitende Partij, wordt in overeenstemming met artikel 25, tweede lid, letter b, van het Verdrag voor de toepassing van het Verdrag behandeld als een onderdaan van de andere Verdragsluitende Partij.
2. Zolang de Republiek Kroatië niet als Verdragsluitende Staat is toegetreden tot het in het eerste lid van dit artikel genoemde Verdrag, worden de in dat lid bedoelde geschillen voorgelegd aan het Internationale Centrum voor Beslechting van Investeringsgeschillen overeenkomstig de regels betreffende de Aanvullende Voorziening voor de toepassing van procedures door het Secretariaat van het Centrum (Additional Facility of Rules).
3. Elke Verdragsluitende Partij stemt er bij dezen onvoorwaardelijk mee in de in het eerste lid van dit artikel bedoelde geschillen voor te leggen ter internationale arbitrage overeenkomstig de bepalingen van dit artikel.
4. Een rechtspersoon die onderdaan is van de ene Verdragsluitende Partij en die, voordat een dergelijk geschil ontstaat, onder toezicht staat van onderdanen van de andere Verdragsluitende Partij, wordt in overeenstemming met artikel 25, tweede lid, letter b, van het Verdrag voor de toepassing van het Verdrag behandeld als een onderdaan van de andere Verdragsluitende Partij.
- Citeren als
- Art. 9
- Geldig vanaf
- Status
- Geldend recht
- Identificatie
- BWBV0001385
- Officiële bron
- wetten.overheid.nl