BWBR0051623
Geldig vanaf 2025-12-22
Artikel 5
Besluit tegemoetkoming particuliere woningeigenaren mijnbouwschade steenkoolwinning Limburg
1. De minister vraagt, tenzij is besloten om de aanvraag met toepassing van het bepaalde in artikel 2, derde lid, niet in behandeling te nemen, ten behoeve van de beslissing op een aanvraag als bedoeld in het artikel 2, eerste lid, advies van de Limburg kamer van de Commissie Mijnbouwschade over de vraag:
a. of er sprake is van schade; en
b. of voldoende aannemelijk is dat de schade is ontstaan of mede is ontstaan door bodembeweging als gevolg van de aanleg of exploitatie van een mijnbouwwerk ten behoeve van steenkoolwinning.
2. Indien voldoende aannemelijk is dat de schade is ontstaan of mede is ontstaan door bodembeweging als gevolg van de aanleg of exploitatie van een mijnbouwwerk ten behoeve van steenkoolwinning maakt de Limburg kamer van de Commissie Mijnbouw een schadestaat op. Indien er een evidente andere oorzaak is die een deel van de schade verklaart, blijkt uit deze schadestaat, voor welk deel van de schade voldoende aannemelijk is dat deze kan worden toegerekend aan bodembeweging als gevolg van de aanleg of exploitatie van een mijnbouwwerk ten behoeve van steenkoolwinning en welk deel kan worden toegerekend aan een evidente andere oorzaak.
a. of er sprake is van schade; en
b. of voldoende aannemelijk is dat de schade is ontstaan of mede is ontstaan door bodembeweging als gevolg van de aanleg of exploitatie van een mijnbouwwerk ten behoeve van steenkoolwinning.
2. Indien voldoende aannemelijk is dat de schade is ontstaan of mede is ontstaan door bodembeweging als gevolg van de aanleg of exploitatie van een mijnbouwwerk ten behoeve van steenkoolwinning maakt de Limburg kamer van de Commissie Mijnbouw een schadestaat op. Indien er een evidente andere oorzaak is die een deel van de schade verklaart, blijkt uit deze schadestaat, voor welk deel van de schade voldoende aannemelijk is dat deze kan worden toegerekend aan bodembeweging als gevolg van de aanleg of exploitatie van een mijnbouwwerk ten behoeve van steenkoolwinning en welk deel kan worden toegerekend aan een evidente andere oorzaak.