BWBR0051623
Geldig vanaf 2025-12-22
Artikel 2
Besluit tegemoetkoming particuliere woningeigenaren mijnbouwschade steenkoolwinning Limburg
1. De minister kent aan een natuurlijke persoon die eigenaar is van een woning gelegen in het mijnbouwschadegebied waaraan mijnbouwschade is opgetreden op diens aanvraag een voorziening voor deze schade toe.
2. De minister kan op grond van dit besluit uitsluitend een voorziening toekennen indien hij de mogelijkheid tot het doen van een aanvraag voor een voorziening heeft opengesteld door vaststelling van een tijdvak wanneer de aanvraag kan worden ingediend. De minister kan de openstelling beperken tot bepaalde postcodegebieden binnen het mijnbouwschadegebied of categorieën van aanvragers.
3. De minister neemt een aanvraag om een voorziening voor schade niet in behandeling voor zover:
a. de woning waar de aanvraag betrekking op heeft niet gelegen is in het mijnbouwschadegebied;
b. door een mijnbouwonderneming of diens rechtsopvolger voor de schade waar de aanvraag betrekking op heeft een vaststellingsovereenkomst is gesloten;
c. door de minister voor de schade waar de aanvraag betrekking op heeft een besluit als bedoeld in artikel 137 van de Mijnbouwwet is genomen strekkend tot vergoeding van schade;
d. door het bestuur van de Stichting Calamiteitenfonds voor de schade waar de aanvraag betrekking op heeft een voorziening is toegekend;
e. door de aanvrager of diens vertegenwoordiger met de mijnbouwonderneming of diens rechtsopvolger voor de schade waar de aanvraag betrekking op heeft onderhandeld wordt met het doel te komen tot een vergoeding van de schade;
f. voor de schade waar de aanvraag betrekking op heeft een vordering is ingesteld bij de burgerlijke rechter, tenzij de vordering bij de burgerlijke rechter met instemming van de gedaagde door de aanvrager wordt ingetrokken;
g. de rechter uitspraak heeft gedaan over de aanspraak op en de omvang van de vergoeding van de schade waar de aanvraag betrekking op heeft; of
h. de schade waar de aanvraag betrekking op heeft, is hersteld voor 1 januari 2024 of na inwerkingtreding van dit besluit.
4. De minister beslist op een aanvraag als bedoeld in het eerste lid, voor zover relevant, met toepassing van de bepalingen van het Burgerlijk Wetboek:
a. uitgezonderd artikel 310 van Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek;
b. met dien verstande dat het vereiste van het causaal verband van de artikelen 98 en 177, eerste lid, aanhef en onderdeel b, van Boek 6 van het Burgerlijk Wetboek wordt vervangen door het vereiste van een voldoende aannemelijk verband tussen de schade en bodembeweging als gevolg van de aanleg of exploitatie van een mijnbouwwerk ten behoeve van steenkoolwinning; en
c. met inachtneming van het advies van de Limburg kamer van de Commissie Mijnbouwschade.
2. De minister kan op grond van dit besluit uitsluitend een voorziening toekennen indien hij de mogelijkheid tot het doen van een aanvraag voor een voorziening heeft opengesteld door vaststelling van een tijdvak wanneer de aanvraag kan worden ingediend. De minister kan de openstelling beperken tot bepaalde postcodegebieden binnen het mijnbouwschadegebied of categorieën van aanvragers.
3. De minister neemt een aanvraag om een voorziening voor schade niet in behandeling voor zover:
a. de woning waar de aanvraag betrekking op heeft niet gelegen is in het mijnbouwschadegebied;
b. door een mijnbouwonderneming of diens rechtsopvolger voor de schade waar de aanvraag betrekking op heeft een vaststellingsovereenkomst is gesloten;
c. door de minister voor de schade waar de aanvraag betrekking op heeft een besluit als bedoeld in artikel 137 van de Mijnbouwwet is genomen strekkend tot vergoeding van schade;
d. door het bestuur van de Stichting Calamiteitenfonds voor de schade waar de aanvraag betrekking op heeft een voorziening is toegekend;
e. door de aanvrager of diens vertegenwoordiger met de mijnbouwonderneming of diens rechtsopvolger voor de schade waar de aanvraag betrekking op heeft onderhandeld wordt met het doel te komen tot een vergoeding van de schade;
f. voor de schade waar de aanvraag betrekking op heeft een vordering is ingesteld bij de burgerlijke rechter, tenzij de vordering bij de burgerlijke rechter met instemming van de gedaagde door de aanvrager wordt ingetrokken;
g. de rechter uitspraak heeft gedaan over de aanspraak op en de omvang van de vergoeding van de schade waar de aanvraag betrekking op heeft; of
h. de schade waar de aanvraag betrekking op heeft, is hersteld voor 1 januari 2024 of na inwerkingtreding van dit besluit.
4. De minister beslist op een aanvraag als bedoeld in het eerste lid, voor zover relevant, met toepassing van de bepalingen van het Burgerlijk Wetboek:
a. uitgezonderd artikel 310 van Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek;
b. met dien verstande dat het vereiste van het causaal verband van de artikelen 98 en 177, eerste lid, aanhef en onderdeel b, van Boek 6 van het Burgerlijk Wetboek wordt vervangen door het vereiste van een voldoende aannemelijk verband tussen de schade en bodembeweging als gevolg van de aanleg of exploitatie van een mijnbouwwerk ten behoeve van steenkoolwinning; en
c. met inachtneming van het advies van de Limburg kamer van de Commissie Mijnbouwschade.