BWBR0051209
Geldig vanaf 2025-07-10
Artikel 10
Regeling specifieke uitkering woningbouwversnelling Metropoolregio Eindhoven
1. Binnen een project waarvoor een specifieke uitkering is toegekend:
a. worden de activiteiten voor het realiseren van de bouw van woningen uitgevoerd op de wijze die is beschreven in de uitkeringsbeschikking;
b. start de bouw van de laatste woning uiterlijk op 31 december 2030;
c. is de laatste woning uiterlijk op 31 december 2033 gerealiseerd; en
d. wordt de minister door het college van de MRE-gemeente geïnformeerd over de start van de bouwwerkzaamheden van de laatste woning en de realisatie van de laatste woning op een in de uitkeringsbeschikking opgenomen wijze.
2. Indien het uitvoeren van de activiteiten, bedoeld in het eerste lid onder a, afwijkt van de wijze die is beschreven in de uitkeringsbeschikking, meldt het college van de MRE-gemeente dit onverwijld aan de minister.
3. Het college van een MRE-gemeente die een specifieke uitkering op basis van deze regeling heeft ontvangen, informeert de minister op verzoek over de voortgang van de activiteiten waarvoor de specifieke uitkering is toegekend.
4. Het college van een MRE-gemeente die een specifieke uitkering op basis van deze regeling heeft ontvangen, verleent op verzoek van de minister medewerking en verstrekt informatie ten behoeve van de voortgang en evaluatie van de doelmatigheid en doeltreffendheid van de toegekende specifieke uitkering.
a. worden de activiteiten voor het realiseren van de bouw van woningen uitgevoerd op de wijze die is beschreven in de uitkeringsbeschikking;
b. start de bouw van de laatste woning uiterlijk op 31 december 2030;
c. is de laatste woning uiterlijk op 31 december 2033 gerealiseerd; en
d. wordt de minister door het college van de MRE-gemeente geïnformeerd over de start van de bouwwerkzaamheden van de laatste woning en de realisatie van de laatste woning op een in de uitkeringsbeschikking opgenomen wijze.
2. Indien het uitvoeren van de activiteiten, bedoeld in het eerste lid onder a, afwijkt van de wijze die is beschreven in de uitkeringsbeschikking, meldt het college van de MRE-gemeente dit onverwijld aan de minister.
3. Het college van een MRE-gemeente die een specifieke uitkering op basis van deze regeling heeft ontvangen, informeert de minister op verzoek over de voortgang van de activiteiten waarvoor de specifieke uitkering is toegekend.
4. Het college van een MRE-gemeente die een specifieke uitkering op basis van deze regeling heeft ontvangen, verleent op verzoek van de minister medewerking en verstrekt informatie ten behoeve van de voortgang en evaluatie van de doelmatigheid en doeltreffendheid van de toegekende specifieke uitkering.