BWBR0051093
Geldig vanaf 2025-06-11
Artikel 5
Subsidieregeling Meerurenmaatwerk
1. De subsidie voor de variant bedoeld in artikel 3, vierde lid, onderdeel a, bedraagt ten hoogste € 8.695.000,– per bevoegd gezag. Het totale subsidiebedrag per bevoegd gezag bestaat uit:
a. maximaal € 55.000,– per bevoegd gezag voor de ondersteunde activiteiten, bedoeld in artikel 3, eerste lid, onderdeel a; en
b. maximaal € 160.000,– per school voor de keuzeactiviteiten, bedoeld in artikel 3, eerste lid, onderdeel b.
2. De subsidie voor de variant bedoeld in artikel 3, vierde lid, onderdeel b, bedraagt ten hoogste € 2.485.000,– per bevoegd gezag. Het totale subsidiebedrag per bevoegd gezag bestaat uit:
a. maximaal € 55.000,– per bevoegd gezag voor de ondersteunde activiteiten, bedoeld in artikel 3, eerste lid, onderdeel a; en
b. maximaal € 45.000,– per school voor de keuzeactiviteiten, bedoeld in artikel 3, eerste lid, onderdeel b.
3. Onverminderd het eerste lid bedraagt de subsidie voor de variant, bedoeld in artikel 3, vierde lid, onderdeel a, niet meer dan 90% van de gerealiseerde kosten.
4. Onverminderd het tweede lid bedraagt de subsidie voor de variant, bedoeld in artikel 3, vierde lid, onderdeel b, niet meer dan 97,5% van de gerealiseerde kosten.
a. maximaal € 55.000,– per bevoegd gezag voor de ondersteunde activiteiten, bedoeld in artikel 3, eerste lid, onderdeel a; en
b. maximaal € 160.000,– per school voor de keuzeactiviteiten, bedoeld in artikel 3, eerste lid, onderdeel b.
2. De subsidie voor de variant bedoeld in artikel 3, vierde lid, onderdeel b, bedraagt ten hoogste € 2.485.000,– per bevoegd gezag. Het totale subsidiebedrag per bevoegd gezag bestaat uit:
a. maximaal € 55.000,– per bevoegd gezag voor de ondersteunde activiteiten, bedoeld in artikel 3, eerste lid, onderdeel a; en
b. maximaal € 45.000,– per school voor de keuzeactiviteiten, bedoeld in artikel 3, eerste lid, onderdeel b.
3. Onverminderd het eerste lid bedraagt de subsidie voor de variant, bedoeld in artikel 3, vierde lid, onderdeel a, niet meer dan 90% van de gerealiseerde kosten.
4. Onverminderd het tweede lid bedraagt de subsidie voor de variant, bedoeld in artikel 3, vierde lid, onderdeel b, niet meer dan 97,5% van de gerealiseerde kosten.