BWBR0051061
Geldig vanaf 2025-07-01
Artikel 2
Regeling gemengd afmeren
1. Als categorieën schepen als bedoeld in de artikelen 6.28, twaalfde lid, onderdeel c, en vijftiende lid, en 7.07, vierde lid, van het Binnenvaartpolitiereglementworden aangewezen alle binnenschepen of zeeschepen waarvoor een certificaat van onderzoek als bedoeld in artikel 9, eerste lid, van de Binnenvaartwetis afgegeven, met uitzondering van:
a. zeegaande schepen die de tekens, bedoeld in artikel 10.04, eerste lid, van het Binnenvaartpolitiereglement, voeren;
b. schepen die gevaarlijke goederen vervoeren waarvoor op grond van artikel 3.14, derde lid, van het Binnenvaartpolitiereglement drie tekens zijn voorgeschreven;
c. schepen die lading in droge bulk vervoeren waarop de eis VE03 uit subsectie 7.1.6.12 van het ADN van kracht is;
d. schepen geladen met bulklading in vaste vorm waarvan de lading met ontsmettingsmiddelen is behandeld;
e. duwbakken die niet aan een duwboot zijn gekoppeld en geen eigen mechanische voortstuwing hebben;
f. passagiersschepen of andere vaartuigen waarmee één of meerdere passagiers worden vervoerd;
g. pleziervaartuigen als bedoeld in artikel 1 van het Binnenvaartbesluit;
h. enkelwandige tankschepen die gevaarlijke stoffen vervoeren waarvoor op grond van artikel 3.14 van het Binnenvaartpolitiereglement een of meerdere tekens zijn voorgeschreven;
i. schepen die de tekens voeren als bedoeld in artikel 3.14, eerste en tweede lid, van het Binnenvaartpolitiereglement waarvan de lading niet is aangemeld in het Informatie- en Volgsysteem voor de Scheepvaart, met uitzondering van bunkerschepen die lading vervoeren met een vlampunt van 55 graden Celsius of hoger;
j. schepen met meer dan 12 tankcontainers aan boord geladen met brandbare stoffen, als bedoeld in artikel 3.14, eerste lid; en
k. schepen met meer dan 25 tankcontainers aan boord geladen met voor de gezondheid schadelijke stoffen, als bedoeld in artikel 3.14, tweede lid.
2. De bevoegde autoriteit, genoemd in de artikelen 6.28, twaalfde lid, onderdeel c, en vijftiende liden 7.07, vierde lid, van het Binnenvaarpolitiereglement, kan bij de aanwijzing van een ligplaats of wachtplaats voor gemengd afmeren bepalen dat schepen die behoren tot een daarbij aan te wijzen categorie schepen hiervan geen gebruik kunnen maken.
3. De bevoegde autoriteit, genoemd in de artikelen 6.28, twaalfde lid, onderdeel c, en vijftiende lid, en 7.07, vierde lid, van het Binnenvaarpolitiereglement, neemt bij de aanwijzing van een ligplaats of wachtplaats voor gemengd afmeren het volgende in acht:
a. in overnachtingshavens wordt een aparte zone aangewezen voor het ligplaats nemen van seinvoerende schepen, tenzij dit door de indeling van de overnachtingshaven niet goed mogelijk is;
b. in de voorhavens van sluizen worden zo veel mogelijk wacht- en ligplaatsen aangewezen waar gemengd afmeren is toegestaan. De bevoegde autoriteit houdt daarbij rekening met de behoefte aan wacht- en ligplaatsen voor binnenschepen die niet geschikt zijn voor het gemengd afmeren;
c. ligplaatszones langs een vaarweg die bedoeld is voor de doorgaande scheepvaart worden uitsluitend aangewezen als ligplaats voor gemengd afmeren indien: 1°. een minimumafstand van 25 meter wordt aangehouden tot kwetsbare gebouwen, kwetsbare locaties en zeer kwetsbare gebouwen als bedoeld in de onderdelen C, D en E van Bijlage VI bij het Besluit kwaliteit leefomgeving; en
2°. niet meer dan 8 tankschepen geladen met giftige stoffen als bedoeld in de artikelen 2.2.61 tot en met 2.2.61.3 van het ADN gelijktijdig naast elkaar afmeren;
1°. een minimumafstand van 25 meter wordt aangehouden tot kwetsbare gebouwen, kwetsbare locaties en zeer kwetsbare gebouwen als bedoeld in de onderdelen C, D en E van Bijlage VI bij het Besluit kwaliteit leefomgeving; en
2°. niet meer dan 8 tankschepen geladen met giftige stoffen als bedoeld in de artikelen 2.2.61 tot en met 2.2.61.3 van het ADN gelijktijdig naast elkaar afmeren;
d. de voorwaarden, genoemd in onderdeel c, subonderdelen 1° en 2°, bij het aanwijzen van de ligplaatsen als bedoeld in onderdeel a en de wacht- en ligplaatsen als bedoeld in onderdeel b, indien zich in de directe omgeving gebouwen of locaties als bedoeld in Bijlage VI bij het Besluit kwaliteit leefomgeving, met uitzondering van kunstwerken, bevinden.
4. De bevoegde autoriteit, genoemd in de artikelen 6.28, twaalfde lid, onderdeel c, vijftiende lid, en 7.07, vierde lid, van het Binnenvaarpolitiereglement, trekt de aanwijzing van een ligplaats of wachtplaats in indien niet langer aan de voorwaarden, bedoeld in het derde lid, onderdelen c en d, wordt voldaan.
5. Op aangewezen ligplaatsen en wachtplaatsen worden de verkeerstekens E.5.2 of E.7, bedoeld in bijlage 7 bij het Binnenvaartpolitiereglement, aangebracht met daaronder een bord F.4, bedoeld in bijlage 7 bij het Binnenvaartpolitiereglement, met daarop de tekst ‘Gemengd afmeren’.
a. zeegaande schepen die de tekens, bedoeld in artikel 10.04, eerste lid, van het Binnenvaartpolitiereglement, voeren;
b. schepen die gevaarlijke goederen vervoeren waarvoor op grond van artikel 3.14, derde lid, van het Binnenvaartpolitiereglement drie tekens zijn voorgeschreven;
c. schepen die lading in droge bulk vervoeren waarop de eis VE03 uit subsectie 7.1.6.12 van het ADN van kracht is;
d. schepen geladen met bulklading in vaste vorm waarvan de lading met ontsmettingsmiddelen is behandeld;
e. duwbakken die niet aan een duwboot zijn gekoppeld en geen eigen mechanische voortstuwing hebben;
f. passagiersschepen of andere vaartuigen waarmee één of meerdere passagiers worden vervoerd;
g. pleziervaartuigen als bedoeld in artikel 1 van het Binnenvaartbesluit;
h. enkelwandige tankschepen die gevaarlijke stoffen vervoeren waarvoor op grond van artikel 3.14 van het Binnenvaartpolitiereglement een of meerdere tekens zijn voorgeschreven;
i. schepen die de tekens voeren als bedoeld in artikel 3.14, eerste en tweede lid, van het Binnenvaartpolitiereglement waarvan de lading niet is aangemeld in het Informatie- en Volgsysteem voor de Scheepvaart, met uitzondering van bunkerschepen die lading vervoeren met een vlampunt van 55 graden Celsius of hoger;
j. schepen met meer dan 12 tankcontainers aan boord geladen met brandbare stoffen, als bedoeld in artikel 3.14, eerste lid; en
k. schepen met meer dan 25 tankcontainers aan boord geladen met voor de gezondheid schadelijke stoffen, als bedoeld in artikel 3.14, tweede lid.
2. De bevoegde autoriteit, genoemd in de artikelen 6.28, twaalfde lid, onderdeel c, en vijftiende liden 7.07, vierde lid, van het Binnenvaarpolitiereglement, kan bij de aanwijzing van een ligplaats of wachtplaats voor gemengd afmeren bepalen dat schepen die behoren tot een daarbij aan te wijzen categorie schepen hiervan geen gebruik kunnen maken.
3. De bevoegde autoriteit, genoemd in de artikelen 6.28, twaalfde lid, onderdeel c, en vijftiende lid, en 7.07, vierde lid, van het Binnenvaarpolitiereglement, neemt bij de aanwijzing van een ligplaats of wachtplaats voor gemengd afmeren het volgende in acht:
a. in overnachtingshavens wordt een aparte zone aangewezen voor het ligplaats nemen van seinvoerende schepen, tenzij dit door de indeling van de overnachtingshaven niet goed mogelijk is;
b. in de voorhavens van sluizen worden zo veel mogelijk wacht- en ligplaatsen aangewezen waar gemengd afmeren is toegestaan. De bevoegde autoriteit houdt daarbij rekening met de behoefte aan wacht- en ligplaatsen voor binnenschepen die niet geschikt zijn voor het gemengd afmeren;
c. ligplaatszones langs een vaarweg die bedoeld is voor de doorgaande scheepvaart worden uitsluitend aangewezen als ligplaats voor gemengd afmeren indien: 1°. een minimumafstand van 25 meter wordt aangehouden tot kwetsbare gebouwen, kwetsbare locaties en zeer kwetsbare gebouwen als bedoeld in de onderdelen C, D en E van Bijlage VI bij het Besluit kwaliteit leefomgeving; en
2°. niet meer dan 8 tankschepen geladen met giftige stoffen als bedoeld in de artikelen 2.2.61 tot en met 2.2.61.3 van het ADN gelijktijdig naast elkaar afmeren;
1°. een minimumafstand van 25 meter wordt aangehouden tot kwetsbare gebouwen, kwetsbare locaties en zeer kwetsbare gebouwen als bedoeld in de onderdelen C, D en E van Bijlage VI bij het Besluit kwaliteit leefomgeving; en
2°. niet meer dan 8 tankschepen geladen met giftige stoffen als bedoeld in de artikelen 2.2.61 tot en met 2.2.61.3 van het ADN gelijktijdig naast elkaar afmeren;
d. de voorwaarden, genoemd in onderdeel c, subonderdelen 1° en 2°, bij het aanwijzen van de ligplaatsen als bedoeld in onderdeel a en de wacht- en ligplaatsen als bedoeld in onderdeel b, indien zich in de directe omgeving gebouwen of locaties als bedoeld in Bijlage VI bij het Besluit kwaliteit leefomgeving, met uitzondering van kunstwerken, bevinden.
4. De bevoegde autoriteit, genoemd in de artikelen 6.28, twaalfde lid, onderdeel c, vijftiende lid, en 7.07, vierde lid, van het Binnenvaarpolitiereglement, trekt de aanwijzing van een ligplaats of wachtplaats in indien niet langer aan de voorwaarden, bedoeld in het derde lid, onderdelen c en d, wordt voldaan.
5. Op aangewezen ligplaatsen en wachtplaatsen worden de verkeerstekens E.5.2 of E.7, bedoeld in bijlage 7 bij het Binnenvaartpolitiereglement, aangebracht met daaronder een bord F.4, bedoeld in bijlage 7 bij het Binnenvaartpolitiereglement, met daarop de tekst ‘Gemengd afmeren’.