BWBR0050646
Geldig vanaf 01-01-2025
Artikel 16
Beleidsregel nationale goedkeuring mobiele machines
1. Een intrekking van de goedkeuring geldt in beginsel voor onbepaalde tijd.
2. De RDW trekt de typegoedkeuring in:
a. Op verzoek van de fabrikant;
b. Bij een definitieve productiestop van het type waarvoor goedkeuring is verleend;
c. Bij faillissement van de fabrikant aan wie de goedkeuring is verleend; of,
d. Bij gebruik van agressie /geweld tegen RDW-medewerkers.
3. De RDW kan de typegoedkeuring intrekken als er sprake is van:
a. Bij het afleggen van valse verklaringen tijdens goedkeuringsprocedures of terwijl er corrigerende of beperkende maatregelen gelden;
b. Bij het vervalsen van testresultaten voor Typegoedkeuringen of markttoezicht;
c. Bij het achterhouden van gegevens of technische specificaties die tot het terugroepen van voertuigen, systemen, onderdelen en technische eenheden, of tot het weigeren of intrekken van een Typegoedkeuringscertificaat zouden kunnen leiden;
d. Bij gebruik van manipulatievoorzieningen in het goedgekeurde product; of,
e. Bij het verstrekken van onjuiste informatie door of namens de fabrikant die noodzakelijk is voor de aanvraag van de goedkeuring of voor de conformiteit van de productie.
4. De RDW kan de typegoedkeuring schorsen indien:
a. er vermoedens zijn dat er redenen tot intrekking van de goedkeuring zijn zoals bedoeld in het tweede lid van dit artikel, maar het onderzoek en de daarbij behorende conclusies, nog niet beschikbaar zijn.
b. er omstandigheden zijn die noch door de fabrikant, noch door de RDW kunnen worden opgelost. Bijvoorbeeld indien een productielocatie van de fabrikant door een negatief reisadvies niet bereikbaar is.
c. sprake is van door de fabrikant te herstellen gebreken. Dit betreft onder meer: i. Het weigeren van toegang tot informatie;
ii. Niet voldoen aan de betalingsverplichting van de fabrikant;
iii. Uitblijven van het verstrekken van informatie aan RDW in het kader van toezicht op de conformiteit van de productie;
iv. Niet doorgeven van noodzakelijke wijzigingen aan de RDW, zoals onder meer genoemd onder hoofdstuk 6;
v. Niet bevestigen, weigeren van of niet aanwezig zijn bij een audit door of namens de RDW in het kader van het toezicht op de productie;
vi. Niet-naleving door de fabrikant van overige vereisten van de typegoedkeuringswetgeving; of,
vii. Het weigeren om medewerking te verlenen aan een audit of monitoringsactiviteiten van de RDW of anderszins niet aan de uit de wet voortvloeiende verplichtingen voldoen.
i. Het weigeren van toegang tot informatie;
ii. Niet voldoen aan de betalingsverplichting van de fabrikant;
iii. Uitblijven van het verstrekken van informatie aan RDW in het kader van toezicht op de conformiteit van de productie;
iv. Niet doorgeven van noodzakelijke wijzigingen aan de RDW, zoals onder meer genoemd onder hoofdstuk 6;
v. Niet bevestigen, weigeren van of niet aanwezig zijn bij een audit door of namens de RDW in het kader van het toezicht op de productie;
vi. Niet-naleving door de fabrikant van overige vereisten van de typegoedkeuringswetgeving; of,
vii. Het weigeren om medewerking te verlenen aan een audit of monitoringsactiviteiten van de RDW of anderszins niet aan de uit de wet voortvloeiende verplichtingen voldoen.
5. Een schorsing wordt voor een bepaalde duur opgelegd. Die termijn wordt in het besluit vermeld.
6. Indien tijdens de schorsing de uitkomsten van het onderzoek zijn verkregen als bedoeld in het derde lid onder a van dit artikel kan de schorsing tussentijds worden beëindigd.
7. Indien tijdens de schorsing als bedoeld in het vierde lid onder c van dit artikel definitief blijkt dat het gebrek niet wordt hersteld, dan wordt de schorsing tussentijds beëindigd en aansluitend opgevolgd door een intrekking van de typegoedkeuring.
2. De RDW trekt de typegoedkeuring in:
a. Op verzoek van de fabrikant;
b. Bij een definitieve productiestop van het type waarvoor goedkeuring is verleend;
c. Bij faillissement van de fabrikant aan wie de goedkeuring is verleend; of,
d. Bij gebruik van agressie /geweld tegen RDW-medewerkers.
3. De RDW kan de typegoedkeuring intrekken als er sprake is van:
a. Bij het afleggen van valse verklaringen tijdens goedkeuringsprocedures of terwijl er corrigerende of beperkende maatregelen gelden;
b. Bij het vervalsen van testresultaten voor Typegoedkeuringen of markttoezicht;
c. Bij het achterhouden van gegevens of technische specificaties die tot het terugroepen van voertuigen, systemen, onderdelen en technische eenheden, of tot het weigeren of intrekken van een Typegoedkeuringscertificaat zouden kunnen leiden;
d. Bij gebruik van manipulatievoorzieningen in het goedgekeurde product; of,
e. Bij het verstrekken van onjuiste informatie door of namens de fabrikant die noodzakelijk is voor de aanvraag van de goedkeuring of voor de conformiteit van de productie.
4. De RDW kan de typegoedkeuring schorsen indien:
a. er vermoedens zijn dat er redenen tot intrekking van de goedkeuring zijn zoals bedoeld in het tweede lid van dit artikel, maar het onderzoek en de daarbij behorende conclusies, nog niet beschikbaar zijn.
b. er omstandigheden zijn die noch door de fabrikant, noch door de RDW kunnen worden opgelost. Bijvoorbeeld indien een productielocatie van de fabrikant door een negatief reisadvies niet bereikbaar is.
c. sprake is van door de fabrikant te herstellen gebreken. Dit betreft onder meer: i. Het weigeren van toegang tot informatie;
ii. Niet voldoen aan de betalingsverplichting van de fabrikant;
iii. Uitblijven van het verstrekken van informatie aan RDW in het kader van toezicht op de conformiteit van de productie;
iv. Niet doorgeven van noodzakelijke wijzigingen aan de RDW, zoals onder meer genoemd onder hoofdstuk 6;
v. Niet bevestigen, weigeren van of niet aanwezig zijn bij een audit door of namens de RDW in het kader van het toezicht op de productie;
vi. Niet-naleving door de fabrikant van overige vereisten van de typegoedkeuringswetgeving; of,
vii. Het weigeren om medewerking te verlenen aan een audit of monitoringsactiviteiten van de RDW of anderszins niet aan de uit de wet voortvloeiende verplichtingen voldoen.
i. Het weigeren van toegang tot informatie;
ii. Niet voldoen aan de betalingsverplichting van de fabrikant;
iii. Uitblijven van het verstrekken van informatie aan RDW in het kader van toezicht op de conformiteit van de productie;
iv. Niet doorgeven van noodzakelijke wijzigingen aan de RDW, zoals onder meer genoemd onder hoofdstuk 6;
v. Niet bevestigen, weigeren van of niet aanwezig zijn bij een audit door of namens de RDW in het kader van het toezicht op de productie;
vi. Niet-naleving door de fabrikant van overige vereisten van de typegoedkeuringswetgeving; of,
vii. Het weigeren om medewerking te verlenen aan een audit of monitoringsactiviteiten van de RDW of anderszins niet aan de uit de wet voortvloeiende verplichtingen voldoen.
5. Een schorsing wordt voor een bepaalde duur opgelegd. Die termijn wordt in het besluit vermeld.
6. Indien tijdens de schorsing de uitkomsten van het onderzoek zijn verkregen als bedoeld in het derde lid onder a van dit artikel kan de schorsing tussentijds worden beëindigd.
7. Indien tijdens de schorsing als bedoeld in het vierde lid onder c van dit artikel definitief blijkt dat het gebrek niet wordt hersteld, dan wordt de schorsing tussentijds beëindigd en aansluitend opgevolgd door een intrekking van de typegoedkeuring.
- Citeren als
- Art. 16
- Geldig vanaf
- Status
- Geldend recht
- Identificatie
- BWBR0050646
- Officiële bron
- wetten.overheid.nl