BWBR0050646
Geldig vanaf 01-01-2025
Artikel 11
Beleidsregel nationale goedkeuring mobiele machines
1. De RDW houdt toezicht op de fabrikanten in relatie met door de RDW verleende typegoedkeuring. De RDW doet dit door middel van respectievelijk document beoordeling, audits en zo nodig productbeoordeling.
2. De fabrikant moet met behulp van de van toepassing zijnde procedures van de RDW aantonen dat aan de vanuit de nationale wetgevingen gestelde eisen en de overeenkomstig van toepassing zijnde artikelen 8 tot en met 16, 20 tot en met 23, artikel 24, derde lid, eerste zin en tiende lid, 29, 30, 32 tot en met 34 en de artikelen 51 en 52 van Verordening (EU) 167/2013, wordt voldaan om de overeenstemming van productie te waarborgen.
3. De fabrikant bepaalt aan de hand van een risicoanalyse de noodzakelijke controles die essentieel zijn om de overeenstemming van productie te waarborgen en zorgt ervoor dat hij deze controles zelf uitvoert, vastlegt, analyseert en tijdens het productieproces bijstuurt waar nodig op de punten en/of momenten (in de tijd).
4. De productielocaties van de fabrikant worden door de RDW beoordeeld en indien akkoord door de RDW erkend. Uitbreiding of wijziging van de productielocaties is alleen mogelijk met instemming van de RDW en nadat een verzoek daartoe is gedaan met behulp van het CoP-formulier genoemd in artikel 4.
5. De fabrikant toont aan dat hij in de fasen vóór, tijdens en na het productieproces, zelf de regie voert over alle essentiële aspecten die van belang zijn voor de waarborg van de overeenstemming van de productie.
6. Het is niet toegestaan om een of meerdere aspecten van productieactiviteiten op een locatie plaats te laten vinden welke niet door de RDW is erkend. De fabrikant is en blijft verantwoordelijk voor de overeenstemming van de productie.
7. De frequentie van het toezicht wordt naast de eventuele voorschriften in de specifieke regelgeving, mede bepaald op basis van een risicoanalyse van de RDW. De laagst mogelijke frequentie voor een bedrijfsbezoek bedraagt één bezoek in drie jaar.
8. De risicofactoren bij voornoemde risicoanalyse zijn in ieder geval het ontbreken van een ISO-certificaat, bevindingen bij eerdere beoordelingen, de aard van het product, het tijdstip van de laatste audit, klachten en overige informatie over productafwijkingen bekend bij de RDW.
9. Onverminderd overige bepalingen in deze beleidsregel over de frequentie van het toezicht, kan de RDW te allen tijde toezichtactiviteiten uitvoeren en medewerking verlangen van de fabrikant en/of de contactpersonen.
10. Audits kunnen in opdracht van de RDW worden uitgevoerd door hiervoor door de RDW aangewezen uitbestedingspartners of technische diensten categorie C.
2. De fabrikant moet met behulp van de van toepassing zijnde procedures van de RDW aantonen dat aan de vanuit de nationale wetgevingen gestelde eisen en de overeenkomstig van toepassing zijnde artikelen 8 tot en met 16, 20 tot en met 23, artikel 24, derde lid, eerste zin en tiende lid, 29, 30, 32 tot en met 34 en de artikelen 51 en 52 van Verordening (EU) 167/2013, wordt voldaan om de overeenstemming van productie te waarborgen.
3. De fabrikant bepaalt aan de hand van een risicoanalyse de noodzakelijke controles die essentieel zijn om de overeenstemming van productie te waarborgen en zorgt ervoor dat hij deze controles zelf uitvoert, vastlegt, analyseert en tijdens het productieproces bijstuurt waar nodig op de punten en/of momenten (in de tijd).
4. De productielocaties van de fabrikant worden door de RDW beoordeeld en indien akkoord door de RDW erkend. Uitbreiding of wijziging van de productielocaties is alleen mogelijk met instemming van de RDW en nadat een verzoek daartoe is gedaan met behulp van het CoP-formulier genoemd in artikel 4.
5. De fabrikant toont aan dat hij in de fasen vóór, tijdens en na het productieproces, zelf de regie voert over alle essentiële aspecten die van belang zijn voor de waarborg van de overeenstemming van de productie.
6. Het is niet toegestaan om een of meerdere aspecten van productieactiviteiten op een locatie plaats te laten vinden welke niet door de RDW is erkend. De fabrikant is en blijft verantwoordelijk voor de overeenstemming van de productie.
7. De frequentie van het toezicht wordt naast de eventuele voorschriften in de specifieke regelgeving, mede bepaald op basis van een risicoanalyse van de RDW. De laagst mogelijke frequentie voor een bedrijfsbezoek bedraagt één bezoek in drie jaar.
8. De risicofactoren bij voornoemde risicoanalyse zijn in ieder geval het ontbreken van een ISO-certificaat, bevindingen bij eerdere beoordelingen, de aard van het product, het tijdstip van de laatste audit, klachten en overige informatie over productafwijkingen bekend bij de RDW.
9. Onverminderd overige bepalingen in deze beleidsregel over de frequentie van het toezicht, kan de RDW te allen tijde toezichtactiviteiten uitvoeren en medewerking verlangen van de fabrikant en/of de contactpersonen.
10. Audits kunnen in opdracht van de RDW worden uitgevoerd door hiervoor door de RDW aangewezen uitbestedingspartners of technische diensten categorie C.
- Citeren als
- Art. 11
- Geldig vanaf
- Status
- Geldend recht
- Identificatie
- BWBR0050646
- Officiële bron
- wetten.overheid.nl