BWBR0050400
Geldig vanaf 2025-01-01
Artikel 1
Besluit vergelijking buitenlandse rechtsvormen
1. Dit besluit geeft uitvoering aan de artikelen 1.11en 2.14bis van de Wet inkomstenbelasting 2001, artikel 1a van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969, artikel 1 van de Wet op de dividendbelasting 1965en artikel 1.2 van de Wet bronbelasting 2021.
2. In dit besluit wordt verstaan onder:
a. buitenlandse rechtsvormen: door het recht van een andere staat beheerste rechtspersonen, samenwerkingsverbanden en afgescheiden vermogens, met dien verstande dat financieringsovereenkomsten niet tot de buitenlandse rechtsvormen behoren;
b. Nederlandse rechtsvormen: 1°. de naamloze vennootschap, bedoeld in Titel 4 van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek, en de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid, bedoeld in Titel 5 van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek;
2°. de coöperatie, bedoeld in Titel 3 van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek, en de vereniging op coöperatieve grondslag;
3°. de onderlinge waarborgmaatschappij, bedoeld in Titel 3 van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek, en de vereniging welke op onderlinge grondslag als verzekeraar of bank optreedt;
4°. de vereniging, bedoeld in Titel 2 van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek;
5°. de stichting, bedoeld in Titel 6 van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek;
6°. het kerkgenootschap alsmede hun zelfstandige onderdelen en lichamen waarin zij zijn verenigd, bedoeld in artikel 2 van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek;
7°. de Nederlandse publiekrechtelijke rechtspersoon, bedoeld in artikel 1 van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek;
8°. de maatschap, bedoeld in Titel 9 van Boek 7A van het Burgerlijk Wetboek, en de vennootschap onder firma, bedoeld in Titel 3 van Boek 1 van het Wetboek van Koophandel;
9°. de commanditaire vennootschap ofwel vennootschap bij wijze van geldschieting, bedoeld in Titel 3 van Boek 1 van het Wetboek van Koophandel;
10°. het fonds voor gemene rekening, bedoeld in artikel 2, vierde lid, van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969;
11°. het transparante fonds, bedoeld in artikel 2.14bis, zevende lid, van de Wet inkomstenbelasting 2001;
1°. de naamloze vennootschap, bedoeld in Titel 4 van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek, en de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid, bedoeld in Titel 5 van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek;
2°. de coöperatie, bedoeld in Titel 3 van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek, en de vereniging op coöperatieve grondslag;
3°. de onderlinge waarborgmaatschappij, bedoeld in Titel 3 van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek, en de vereniging welke op onderlinge grondslag als verzekeraar of bank optreedt;
4°. de vereniging, bedoeld in Titel 2 van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek;
5°. de stichting, bedoeld in Titel 6 van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek;
6°. het kerkgenootschap alsmede hun zelfstandige onderdelen en lichamen waarin zij zijn verenigd, bedoeld in artikel 2 van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek;
7°. de Nederlandse publiekrechtelijke rechtspersoon, bedoeld in artikel 1 van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek;
8°. de maatschap, bedoeld in Titel 9 van Boek 7A van het Burgerlijk Wetboek, en de vennootschap onder firma, bedoeld in Titel 3 van Boek 1 van het Wetboek van Koophandel;
9°. de commanditaire vennootschap ofwel vennootschap bij wijze van geldschieting, bedoeld in Titel 3 van Boek 1 van het Wetboek van Koophandel;
10°. het fonds voor gemene rekening, bedoeld in artikel 2, vierde lid, van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969;
11°. het transparante fonds, bedoeld in artikel 2.14bis, zevende lid, van de Wet inkomstenbelasting 2001;
c. rechtsvormenlijst: de lijst met buitenlandse rechtsvormen die is opgenomen in de bijlage bij dit besluit.
2. In dit besluit wordt verstaan onder:
a. buitenlandse rechtsvormen: door het recht van een andere staat beheerste rechtspersonen, samenwerkingsverbanden en afgescheiden vermogens, met dien verstande dat financieringsovereenkomsten niet tot de buitenlandse rechtsvormen behoren;
b. Nederlandse rechtsvormen: 1°. de naamloze vennootschap, bedoeld in Titel 4 van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek, en de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid, bedoeld in Titel 5 van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek;
2°. de coöperatie, bedoeld in Titel 3 van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek, en de vereniging op coöperatieve grondslag;
3°. de onderlinge waarborgmaatschappij, bedoeld in Titel 3 van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek, en de vereniging welke op onderlinge grondslag als verzekeraar of bank optreedt;
4°. de vereniging, bedoeld in Titel 2 van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek;
5°. de stichting, bedoeld in Titel 6 van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek;
6°. het kerkgenootschap alsmede hun zelfstandige onderdelen en lichamen waarin zij zijn verenigd, bedoeld in artikel 2 van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek;
7°. de Nederlandse publiekrechtelijke rechtspersoon, bedoeld in artikel 1 van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek;
8°. de maatschap, bedoeld in Titel 9 van Boek 7A van het Burgerlijk Wetboek, en de vennootschap onder firma, bedoeld in Titel 3 van Boek 1 van het Wetboek van Koophandel;
9°. de commanditaire vennootschap ofwel vennootschap bij wijze van geldschieting, bedoeld in Titel 3 van Boek 1 van het Wetboek van Koophandel;
10°. het fonds voor gemene rekening, bedoeld in artikel 2, vierde lid, van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969;
11°. het transparante fonds, bedoeld in artikel 2.14bis, zevende lid, van de Wet inkomstenbelasting 2001;
1°. de naamloze vennootschap, bedoeld in Titel 4 van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek, en de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid, bedoeld in Titel 5 van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek;
2°. de coöperatie, bedoeld in Titel 3 van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek, en de vereniging op coöperatieve grondslag;
3°. de onderlinge waarborgmaatschappij, bedoeld in Titel 3 van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek, en de vereniging welke op onderlinge grondslag als verzekeraar of bank optreedt;
4°. de vereniging, bedoeld in Titel 2 van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek;
5°. de stichting, bedoeld in Titel 6 van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek;
6°. het kerkgenootschap alsmede hun zelfstandige onderdelen en lichamen waarin zij zijn verenigd, bedoeld in artikel 2 van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek;
7°. de Nederlandse publiekrechtelijke rechtspersoon, bedoeld in artikel 1 van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek;
8°. de maatschap, bedoeld in Titel 9 van Boek 7A van het Burgerlijk Wetboek, en de vennootschap onder firma, bedoeld in Titel 3 van Boek 1 van het Wetboek van Koophandel;
9°. de commanditaire vennootschap ofwel vennootschap bij wijze van geldschieting, bedoeld in Titel 3 van Boek 1 van het Wetboek van Koophandel;
10°. het fonds voor gemene rekening, bedoeld in artikel 2, vierde lid, van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969;
11°. het transparante fonds, bedoeld in artikel 2.14bis, zevende lid, van de Wet inkomstenbelasting 2001;
c. rechtsvormenlijst: de lijst met buitenlandse rechtsvormen die is opgenomen in de bijlage bij dit besluit.