BWBR0050282
Geldig vanaf 2024-10-10
Artikel 10
Landelijke beëindigingsregeling veehouderijlocaties kleinere sectoren
1. Een subsidieaanvraag wordt ingediend bij de minister met gebruikmaking van een daartoe door de minister ter beschikking gesteld middel.
2. Indien een aanvraag is ingediend in het tijdvak 18 november 2024 tot en met 20 december 2024, die in aanmerking komt voor toewijzing op grond van de <a href="/wet/BWBR0048262" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">Landelijke beëindigingsregeling veehouderijlocaties met piekbelasting</a>, wordt de aanvraag aangemerkt als aanvraag op grond van die regeling. In dat geval wordt de aanvraag geacht te zijn gedaan op het tijdstip waarop de oorspronkelijke aanvraag is ingediend en zo nodig is aangevuld om te voldoen aan de wettelijke voorschriften.
3. De aanvraag bevat ten minste de volgende gegevens:
a. gegevens over de aanvrager, waaronder contactgegevens en het nummer waaronder zijn onderneming geregistreerd is bij de Kamer van Koophandel;
b. de veehouderijlocatie van de aanvrager waarop de aanvraag betrekking heeft;
c. het gemiddelde aantal landbouwhuisdieren, onderscheiden naar diercategorieën, dat op de veehouderijlocatie is gehouden in het voor de berekening van de stikstofvracht gebruikte referentiejaar;
d. een opgave of de aanvrager voor de veehouderijlocatie beschikt over een natuurvergunning;
e. een opgave van de voor de veehouderij met diersoorten behorend tot kleinere sectoren op de veehouderijlocatie gebruikte productiecapaciteit, met vermelding, voor zover het een dierenverblijf betreft, van: 1°. de datum waarop voor het eerst landbouwhuisdieren in het dierenverblijf zijn gehouden; en
2°. de oppervlakte van het dierenverblijf, uitgedrukt in m2, uitgaand van de buitenmaten van het dierenverblijf;
1°. de datum waarop voor het eerst landbouwhuisdieren in het dierenverblijf zijn gehouden; en
2°. de oppervlakte van het dierenverblijf, uitgedrukt in m2, uitgaand van de buitenmaten van het dierenverblijf;
4. Bij de aanvraag worden de volgende bescheiden gevoegd:
a. een kopie van, voor zover van toepassing, de omgevingsrechtelijke melding, de omgevingsvergunning milieu en de natuurvergunning betreffende de veehouderijlocatie waarop de aanvraag betrekking heeft;
b. een verklaring van de aanvrager dat: 1°. hij op de veehouderijlocatie daadwerkelijk een veehouderij met diersoorten behorend tot kleinere sectoren drijft;
2°. de voor de veehouderij met diersoorten behorend tot kleinere sectoren op de veehouderijlocatie gebruikte productiecapaciteit onafgebroken gedurende de vijf jaren voorafgaande aan de aanvraag op bedrijfseconomisch gangbare wijze is gebruikt;
1°. hij op de veehouderijlocatie daadwerkelijk een veehouderij met diersoorten behorend tot kleinere sectoren drijft;
2°. de voor de veehouderij met diersoorten behorend tot kleinere sectoren op de veehouderijlocatie gebruikte productiecapaciteit onafgebroken gedurende de vijf jaren voorafgaande aan de aanvraag op bedrijfseconomisch gangbare wijze is gebruikt;
c. een kopie van de uitkomsten van de berekening van de stikstofvracht;
d. een kopie van de administratie voor het voor de berekening van de stikstofvracht gebruikte referentiejaar, voor zover deze betrekking heeft op de gegevens, bedoeld in artikel 32, tweede lid, onderdelen d en e, van het Uitvoeringsbesluit Meststoffenwet;
e. een actuele kaart van de veehouderijlocatie, met aanduiding van de voor de veehouderij met diersoorten behorend tot kleinere sectoren gebruikte productiecapaciteit;
f. een kopie van de bouwtekening van de dierenverblijven waar de aanvraag betrekking op heeft;
g. een kopie van de meest recente beschikking voor de bepaling van de waarde, bedoeld in artikel 17, eerste lid, van de Wet waardering onroerende zaken, van de productiecapaciteit.
2. Indien een aanvraag is ingediend in het tijdvak 18 november 2024 tot en met 20 december 2024, die in aanmerking komt voor toewijzing op grond van de <a href="/wet/BWBR0048262" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">Landelijke beëindigingsregeling veehouderijlocaties met piekbelasting</a>, wordt de aanvraag aangemerkt als aanvraag op grond van die regeling. In dat geval wordt de aanvraag geacht te zijn gedaan op het tijdstip waarop de oorspronkelijke aanvraag is ingediend en zo nodig is aangevuld om te voldoen aan de wettelijke voorschriften.
3. De aanvraag bevat ten minste de volgende gegevens:
a. gegevens over de aanvrager, waaronder contactgegevens en het nummer waaronder zijn onderneming geregistreerd is bij de Kamer van Koophandel;
b. de veehouderijlocatie van de aanvrager waarop de aanvraag betrekking heeft;
c. het gemiddelde aantal landbouwhuisdieren, onderscheiden naar diercategorieën, dat op de veehouderijlocatie is gehouden in het voor de berekening van de stikstofvracht gebruikte referentiejaar;
d. een opgave of de aanvrager voor de veehouderijlocatie beschikt over een natuurvergunning;
e. een opgave van de voor de veehouderij met diersoorten behorend tot kleinere sectoren op de veehouderijlocatie gebruikte productiecapaciteit, met vermelding, voor zover het een dierenverblijf betreft, van: 1°. de datum waarop voor het eerst landbouwhuisdieren in het dierenverblijf zijn gehouden; en
2°. de oppervlakte van het dierenverblijf, uitgedrukt in m2, uitgaand van de buitenmaten van het dierenverblijf;
1°. de datum waarop voor het eerst landbouwhuisdieren in het dierenverblijf zijn gehouden; en
2°. de oppervlakte van het dierenverblijf, uitgedrukt in m2, uitgaand van de buitenmaten van het dierenverblijf;
4. Bij de aanvraag worden de volgende bescheiden gevoegd:
a. een kopie van, voor zover van toepassing, de omgevingsrechtelijke melding, de omgevingsvergunning milieu en de natuurvergunning betreffende de veehouderijlocatie waarop de aanvraag betrekking heeft;
b. een verklaring van de aanvrager dat: 1°. hij op de veehouderijlocatie daadwerkelijk een veehouderij met diersoorten behorend tot kleinere sectoren drijft;
2°. de voor de veehouderij met diersoorten behorend tot kleinere sectoren op de veehouderijlocatie gebruikte productiecapaciteit onafgebroken gedurende de vijf jaren voorafgaande aan de aanvraag op bedrijfseconomisch gangbare wijze is gebruikt;
1°. hij op de veehouderijlocatie daadwerkelijk een veehouderij met diersoorten behorend tot kleinere sectoren drijft;
2°. de voor de veehouderij met diersoorten behorend tot kleinere sectoren op de veehouderijlocatie gebruikte productiecapaciteit onafgebroken gedurende de vijf jaren voorafgaande aan de aanvraag op bedrijfseconomisch gangbare wijze is gebruikt;
c. een kopie van de uitkomsten van de berekening van de stikstofvracht;
d. een kopie van de administratie voor het voor de berekening van de stikstofvracht gebruikte referentiejaar, voor zover deze betrekking heeft op de gegevens, bedoeld in artikel 32, tweede lid, onderdelen d en e, van het Uitvoeringsbesluit Meststoffenwet;
e. een actuele kaart van de veehouderijlocatie, met aanduiding van de voor de veehouderij met diersoorten behorend tot kleinere sectoren gebruikte productiecapaciteit;
f. een kopie van de bouwtekening van de dierenverblijven waar de aanvraag betrekking op heeft;
g. een kopie van de meest recente beschikking voor de bepaling van de waarde, bedoeld in artikel 17, eerste lid, van de Wet waardering onroerende zaken, van de productiecapaciteit.