BWBR0049755
Geldig vanaf 2024-06-04
Artikel 7
Instellingsbesluit Regiegroep Sociale Veiligheid in Hoger Onderwijs en Wetenschap
1. De regiegroep bepaalt haar eigen werkwijze en legt deze vast in een reglement.
2. De regiegroep komt zo vaak bijeen als zij nodig acht en bepaalt in onderling overleg haar werkwijze met betrekking tot de invulling van de vergaderingen.
3. De regiegroep initieert en plant minimaal twee keer per jaar een voortgangsgesprek met de directies Hoger Onderwijs en Studiefinanciering en Onderzoek en Wetenschapsbeleid van het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap om in ieder geval de volgende onderwerpen te bespreken:
a. voortgang;
b. samenwerking binnen de regiegroep;
c. betrokkenheid convenantpartners en instellingen;
d. hoe de effecten van de activiteiten samenhangen met de doelen uit de ‘Aanpak monitoring en evaluatie van de voortgang op doelen van het onderzoeks- en wetenschapsbeleid’, zoals opgenomen in de bijlage bij Kamerstukken II 2022/23, 31 288, nr. 1071;
e. belangrijke lessen en ervaringen die zijn opgedaan tijdens de uitvoering van de activiteiten. De terugkoppeling over belangrijke lessen en ervaringen kan ook frequenter gebeuren.
4. Bovengenoemde voortgangsgesprekken vinden in ieder geval plaats aan het begin van het tweede kwartaal van een kalenderjaar (als de voortgangsrapportage van het voorgaande jaar samengesteld is) en aan het begin van het vierde kwartaal van een kalenderjaar (als het uitvoeringsplan voor het komende jaar samengesteld is). Bij deze gesprekken dienen ten minste de voorzitter, of diens plaatsvervanger, en twee andere leden aanwezig te zijn.
5. De regiegroep verstrekt desgevraagd aan de minister de voor de uitoefening van haar taak benodigde inlichtingen.
6. De minister kan inzage vorderen van zakelijke gegevens en bescheiden, voor zover dat voor de vervulling van zijn taak redelijkerwijs nodig is.
7. De regiegroep rapporteert in jaarlijkse voortgangsrapportages over haar voortgang. De regiegroep zal, in zoverre dat mogelijk is, in haar laatste rapportage reflecteren op de gehele periode 2024 tot en met 2027.
2. De regiegroep komt zo vaak bijeen als zij nodig acht en bepaalt in onderling overleg haar werkwijze met betrekking tot de invulling van de vergaderingen.
3. De regiegroep initieert en plant minimaal twee keer per jaar een voortgangsgesprek met de directies Hoger Onderwijs en Studiefinanciering en Onderzoek en Wetenschapsbeleid van het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap om in ieder geval de volgende onderwerpen te bespreken:
a. voortgang;
b. samenwerking binnen de regiegroep;
c. betrokkenheid convenantpartners en instellingen;
d. hoe de effecten van de activiteiten samenhangen met de doelen uit de ‘Aanpak monitoring en evaluatie van de voortgang op doelen van het onderzoeks- en wetenschapsbeleid’, zoals opgenomen in de bijlage bij Kamerstukken II 2022/23, 31 288, nr. 1071;
e. belangrijke lessen en ervaringen die zijn opgedaan tijdens de uitvoering van de activiteiten. De terugkoppeling over belangrijke lessen en ervaringen kan ook frequenter gebeuren.
4. Bovengenoemde voortgangsgesprekken vinden in ieder geval plaats aan het begin van het tweede kwartaal van een kalenderjaar (als de voortgangsrapportage van het voorgaande jaar samengesteld is) en aan het begin van het vierde kwartaal van een kalenderjaar (als het uitvoeringsplan voor het komende jaar samengesteld is). Bij deze gesprekken dienen ten minste de voorzitter, of diens plaatsvervanger, en twee andere leden aanwezig te zijn.
5. De regiegroep verstrekt desgevraagd aan de minister de voor de uitoefening van haar taak benodigde inlichtingen.
6. De minister kan inzage vorderen van zakelijke gegevens en bescheiden, voor zover dat voor de vervulling van zijn taak redelijkerwijs nodig is.
7. De regiegroep rapporteert in jaarlijkse voortgangsrapportages over haar voortgang. De regiegroep zal, in zoverre dat mogelijk is, in haar laatste rapportage reflecteren op de gehele periode 2024 tot en met 2027.