BWBR0049562
Geldig vanaf 2024-07-01
Artikel 14
Tijdelijke wet onderzoeken AIVD en MIVD naar landen met een offensief cyberprogramma, bulkdatasets en overige specifieke voorzieningen
1. De voorzitter van de kamer die over het beroepschrift oordeelt, kan op verzoek van Onze betrokken Minister, ingediend voorafgaand aan of tegelijkertijd met het instellen van beroep als bedoeld in artikel 13, eerste lid, onder a, een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.
2. De termijn voor het verzoek om een voorlopige voorziening bedraagt drie dagen en vangt aan met ingang van de dag na die waarop de afdeling toezicht het vastgestelde oordeel schriftelijk aan Onze betrokken Minister heeft medegedeeld.
3. Indien een verzoek om een voorlopige voorziening als bedoeld in het eerste lid wordt gedaan, wordt de werking van het oordeel als bedoeld in artikel 12, vierde lid, opgeschort vanaf het moment dat de afdeling toezicht het oordeel en de daaraan te verbinden gevolgen vaststelt totdat de voorzitter, bedoeld in het eerste lid, op dat verzoek uitspraak doet.
4. Artikel 13, vierde tot en met elfde, dertiende en vijftiende tot en met twintigste lid, is van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat de termijn voor indiening van een verweerschrift drie dagen is.
5. De voorzitter, bedoeld in het eerste lid, doet zo spoedig mogelijk uitspraak en bepaalt daarbij het tijdstip waarop de voorlopige voorziening vervalt. De voorlopige voorziening vervalt in ieder geval zodra het beroep is ingetrokken.
6. Indien het verzoek om een voorlopige voorziening wordt gedaan indien beroep is ingesteld ingevolge artikel 13, eerste lid, onder a, en de voorzitter, bedoeld in het eerste lid, van oordeel is dat na de zitting, bedoeld in het vierde lid juncto artikel 13, achtste lid, nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak, kan hij onmiddellijk uitspraak doen in de hoofdzaak.
7. Het zesde lid kan slechts worden toegepast indien Onze betrokken Minister en de afdeling toezicht daarvoor toestemming hebben gegeven.
2. De termijn voor het verzoek om een voorlopige voorziening bedraagt drie dagen en vangt aan met ingang van de dag na die waarop de afdeling toezicht het vastgestelde oordeel schriftelijk aan Onze betrokken Minister heeft medegedeeld.
3. Indien een verzoek om een voorlopige voorziening als bedoeld in het eerste lid wordt gedaan, wordt de werking van het oordeel als bedoeld in artikel 12, vierde lid, opgeschort vanaf het moment dat de afdeling toezicht het oordeel en de daaraan te verbinden gevolgen vaststelt totdat de voorzitter, bedoeld in het eerste lid, op dat verzoek uitspraak doet.
4. Artikel 13, vierde tot en met elfde, dertiende en vijftiende tot en met twintigste lid, is van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat de termijn voor indiening van een verweerschrift drie dagen is.
5. De voorzitter, bedoeld in het eerste lid, doet zo spoedig mogelijk uitspraak en bepaalt daarbij het tijdstip waarop de voorlopige voorziening vervalt. De voorlopige voorziening vervalt in ieder geval zodra het beroep is ingetrokken.
6. Indien het verzoek om een voorlopige voorziening wordt gedaan indien beroep is ingesteld ingevolge artikel 13, eerste lid, onder a, en de voorzitter, bedoeld in het eerste lid, van oordeel is dat na de zitting, bedoeld in het vierde lid juncto artikel 13, achtste lid, nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak, kan hij onmiddellijk uitspraak doen in de hoofdzaak.
7. Het zesde lid kan slechts worden toegepast indien Onze betrokken Minister en de afdeling toezicht daarvoor toestemming hebben gegeven.